Column

Feest

Feest

Feestjes. Niemand die je leert je hoe je ze overleeft. Hoe je erin slaagt om niet gehavend naar huis te gaan. Zonder gekrenkt eergevoel en pijnlijke voeten.

Ik kijk om me heen. De bedoeling was dat er een vriend mee zou komen, maar die haakte af. Op het laatste moment, wat blijkbaar het beste moment is om af te haken. Waarom haakt nooit eens iemand drie weken op voorhand af? Altijd op datzelfde uiterste, laatste stekje. Ik probeer een glimlach uit die er niet al te gekwetst uitziet. Op dat moment komt een nieuwe lading gasten binnen. Je weet wat ze zeggen over meer zielen, probeer ik mezelf op te beuren. Er wordt hartelijk gelachen en oprecht gekust. Of zo lijkt het toch. Soms vang ik een verdwaalde blik op. Daar probeer ik gauw vanaf te komen door snel naar de grond te kijken. Niemand mag merken dat ik alleen ben. Dat is mijn opdracht van de avond.

“Wat zij niet weet, dat is dat mijn haar er dan wel uitziet alsof er niet over is nagedacht, maar dat er een filosofie achter zit.”

Maar ik heb geluk: iemand kent me, niet goed, maar toch een beetje. Ze zwaait al van ver. Een levend wezen om bij te staan, ik ben gered! Ik probeer een opening te slaan met een beleefdheidspraatje, maar ze moet me onderbreken. Kom eens hier, en ze kijkt zorgelijk in mijn haar. Er zit iets in, zegt ze en ze begint in mijn haar te friemelen, trekt er iets onzichtbaars uit. Ik moet me bukken zodat ze er beter bij kan. Nu ze toch bezig is, herschikt ze snel mijn kapsel, haalt een haarspeld los, steekt die er op een andere plek weer in. Het zat echt helemaal scheef, verklaart ze zichzelf, met een knalrode glimlach. Wat zij niet weet, dat is dat mijn haar er dan wel uitziet alsof er niet over is nagedacht, maar dat er een filosofie achter zit, een concept, een levensvisie. Dat is allemaal overhoop gehaald. Ik moet denken aan dat zinnetje van Raymond van het Groenewoud. Jij voelt je begenadigd, zij voelt zich weer beschadigd. Hoe hij dat eruitgooit alsof het maar wat woordjes zijn.

Ik ken haar soort, op elk feestje heb je zo eentje rondlopen. Zo iemand die vriendelijk je hele zelfbeeld komt bekladden. Maar wat ik niet weet, dat is dat dit feestje een geheime bijeenkomst is van dit soort vrouwen. Het stond niet op de uitnodiging. Een kort vrouwtje doorkruist de hele zaal om me te melden dat er een krijtvlek op mijn mouw zit. Ze wrijft hem hardhandig weg. Onder het mom van liefdadigheid wil ze me laten weten dat ik op mijn vierendertigste nog altijd een vuil kind ben. Een andere vrouw doet teken dat er wat tussen mijn tanden zit. Subtiel, dat wel, maar de onzekerheid die erop volgt laat zich niet zo makkelijk weghalen als dat sesamzaadje tussen mijn voortanden.

Er is een vrouw die opmerkt dat er iets groens op mijn voet zit. Snot, denk ik, wat anders is er groen? Maar het is dipsaus. Ik weet niet wat erger is: rondlopen met snot op je voet of met dipsaus. De vrouw reikt me moederlijk een servetje aan en lacht naar me alsof ik haar zwakbegaafde neefje ben. Haar vriendin vraagt hoe ik ook alweer heet en vervolgens vraagt ze of het kan dat ze me al eens in dat rokje gezien heeft. Bij het wachten aan de toiletten, wijst een gebloemde jurk me erop dat mijn haar wat losgekomen is. Nee, niet weer, denk ik en ik glip snel het vrijgekomen wc-hokje in.

“Ik besef dat ik hier niet kan blijven zitten. Dat de rij voor mijn toiletdeur langer wordt. Dat het steeds dringender is. Dat ik haast moet maken met mijn treurigheid.”

Ik stuur een sms naar de vriend die afhaakte, want hij moet denken dat hij wat mist. Ik tik: Het is hier zo leuk, er wordt gedanst en ik heb al met drie mannen getongzoend. Ik besef dat ik hier niet kan blijven zitten. Dat de rij voor mijn toiletdeur langer wordt. Dat het steeds dringender is. Dat ik haast moet maken met mijn treurigheid. Voor de meeste mensen is feest een feest. Voor mij is het een beproeving, een zelftest, net zoals het bekijken van foto’s waar mensen op staan die niet meer meedoen in mijn leven. Proberen of je het kan zonder tranen. De bittere smaak als je weer faalt. Op dezelfde manier als alle keren ervoor.

Als ik naar buiten kom, staat er een vrouw aan de wasbak. Zo’n vrouw die een meisje gebleven is. De zoom van haar rok drijft in het water. Ze is driftig aan het schrobben. Met steeds nieuwe zeep uit de dispenser. Ze draait haar gezicht, de TL-lampen zijn niet mals voor ons. Ik heb haar nog niet gezien. Vreemd, want ze is duidelijk de mooiste die hier rondloopt. Ik vraag of er wat scheelt. Ze haalt haar schouders op en zegt: blijkt dat ik hier al de hele avond rondloop met een vlek op mijn rok. Gelukkig had iemand het gezien.

Er zit verslagenheid in haar ogen. Maar het staat haar.

Zoals ook de knipperende TL-buis en de bloedvlek haar staan.

Schrijf je reactie

3 reacties

Lara Taveirne (regisseur, auteur) woont in een scheefgezakt sluiswachtershuis. Als het regent, hoort ze het water druppelen in de potjes en pannetjes op zolder. Het is een mooi geluid. Het helpt haar om ritme te houden bij het schrijven. Ze gelooft in de liefde als oorsprong van alle schoonheid en ook dat sommige dingen onherstelbaar zijn. Ze gelooft nog hardnekkiger dat je ook op scheve hakken kunt dansen. Lara won met haar debuutroman 'De kinderen van Calais' de Debuutprijs 2015. Haar tweede roman 'Hotel zonder sterren' komt dit najaar uit.

Lees verder in Mensen

Colofon

Adres Redactie

Toko Space t.a.v. Charlie Magazine
Statiestraat 139
2600 Antwerpen