Column

Gargamel

Gargamel

Hij zit aan mijn keukentafel, legt zijn voeten op schoot bij mijn vriendin, die hij sinds kort zijn vriendin noemt. Hij is dronken en legt uit dat ik het helemaal verkeerd zie. Ik moet het vanuit een sociopolitiek standpunt benaderen. Dat is niet mijn dada, de dingen vanuit sociopolitiek oogpunt bekijken, maar ik doe, ondanks het late uur, heel erg mijn best. Hij kan het wel goed uitleggen, dat moet ik toegeven. Er vallen grote woorden. Verdoken propaganda, communisme, paternalisme, anti-semitisme. Zijn conclusie: Gargamel, dat is de gemene kapitalist, het zelfgenoegzame individu dat zich boven de gemeenschap van het smurfendorp heeft geplaatst, dat communistisch bolwerk.

Hier bevinden we ons op glad ijs. Want wat deze man niet weet, dat is dat ik altijd een boon heb gehad voor Gargamel, om niet te zeggen dat hij in mijn top vijf staat van meest begeerlijke mannelijke helden. Hoe hij die smurfen kan haten, dat getuigt toch werkelijk van een ongeziene passie. Je moet al een behoorlijke leerachterstand hebben als je niet begrijpt dat hij eigenlijk dol is op die maffe wezens in hun vrolijk beschilderde paddenstoelen. Zijn leven, dat zet hij niet één keer, maar elke aflevering opnieuw op het spel. Uren zit hij ze achterna. Met een vlindernet, een houten raket, een vernuftige valstrik, altijd zonder succes.

“Hoe hij die smurfen kan haten, dat getuigt toch werkelijk van een ongeziene passie.”

Waarachtige wanhoop, in de ogen van Gargamel staat het nog te lezen, zeker als hij zijn hand uit de holle boom trekt en er niks in blijkt te zitten. Ook niet als hij zijn hand uitschudt. Niks, geen smurfenneusje, geen smurfenmutsje, geen smurfenonderbroekje met voetjes eraan. Niks! Ik haat smurVen!, het weerklinkt door het hele bos. Ik was amper vier en ik wist al dat hij het niet meende. Hij haatte ze niet, hij haatte het dat hij ze niet had. Dat ze hem ontglipten. Keer op keer. En dat hij er weer alleen voor stond in dat grote bos.

Als mijn bezoek weg is, verliefd verdwenen op hun slingerende fietsen in de nacht, denk ik aan Gargamel de kapitalist. Ik ga alleen aan mijn keukentafel zitten, bij de vuile glazen en de lege flessen. Gargamel een kapitalist, hoe komen ze erbij! Ik probeer mijn gedachten naar andere sociopolitieke narigheid te verplaatsen, maar het blijft knagen. Gargamel, dat is een man van onversneden hartstocht, hij wil maar één ding, die koddige smurfjes, met hun opgewonden stemmetjes en hun snel trappelende voetjes. De liefde is zo groot dat hij ze zou fijnknijpen als hij ze te pakken kreeg. Hij droomt ervan dat ze dansjes voor hem uitvoeren op zijn grote eikenhouten tafel. Kleine rondedansjes, foxtrotjes, mini sirtaki’s, paaldansjes rond een lucifer.

Hij heeft zelfs van die op maat vervaardigde kooitjes om ze in op te sluiten. Als dat niet getuigt van oprechte gevoelens, dan weet ik het ook niet meer. Ik kon me als kind werkelijk opjagen in die smurfen. Ik haatte ze niet, maar ik vond het toch ontstellend dat geen van die wandelende kousenbroeken rechtschapen genoeg was om zijn biezen te pakken, zijn medesmurfen de hand te schudden, smurfin nog eens tegen zijn blote blauwe bast te drukken en smurfendorp voorgoed uit te wuiven om het te verruilen voor het vervallen kasteel aan de rand van het grote bos. Geloof me, afgezien van het voortreffelijke banket van bakkersmurf zou het hem vast aan niks mankeren. Gargamel zou hem alle hoeken van de kamer laten zien. Zo zijn mensen als Gargamel. Ze hebben veel te geef.

“Als je uitroept dat je iemand haat, dan heb je helemaal niks te verliezen. Het is een liefdesverklaring met een valscherm eraan.”

Ik moet terugdenken aan alle keren dat mijn vernuftige liefdesplannen ontploften in mijn eigen gezicht. Aan het donkere huis dat wachtte toen ik alleen thuiskwam. Aan de wanhoop die alles overhoop haalde, zelfs mijn haar. Aan de liefde die altijd makkelijker uit te roepen was in de vorm van haat. Het is een slimme truc. Als je roept dat je van iemand houdt, dan zet je jezelf op het spel. Naakt en in tochtig weer, ondanks je zwakke longen. Als je uitroept dat je iemand haat, dan heb je helemaal niks te verliezen. Het is een liefdesverklaring met een valscherm eraan. Gargamel en ik, wij verstaan elkaar, wij zijn uit hetzelfde hout gesneden.

Maar ik moest proberen om het vanuit sociopolitiek oogpunt te benaderen. Het is drie uur ’s nachts, mijn ogen willen dicht. Maar ik probeer het toch. Die smurfen, die weten niks van groots beminnen, dat valt gewoon niet te combineren met hun fulltime job als knutselaar, lolmaker, bommenbouwer, boer, baas, zwemkampioen. In ruil voor al die oprechte arbeidsvreugde kregen ze van de staat een keurige paddenstoel. Maar wie net als Gargamel zo nodig zijn onstuimige hart moest volgen, aha, die moet het alleen zien te beredderen, aan de rand van het bos. Die krijgt geen stuk van de bosbessentaart en van grote smurf geen subsidie om zijn gevel nog eens in de verf te zetten. Ik kijk om me heen. Naar mijn vervallen huis, de verzamelingen flesjes, potjes, opgezette vogeltjes. Ik denk aan het laatste wat mijn vriendin riep, voor ze zwalpend op haar fiets wegreed: Kom eens in de stad wonen, zeg! Wat moet je hier toch in dat hol van Pluto?

Gargamel, die goeie ouwe Gargamel hij doet het opnieuw.
Hij verovert mijn hart.
Met zijn vlindernetje.

 

Lees hier alle andere columns van Lara Taveirne

Schrijf je reactie

Lara Taveirne (regisseur, auteur) woont in een scheefgezakt sluiswachtershuis. Als het regent, hoort ze het water druppelen in de potjes en pannetjes op zolder. Het is een mooi geluid. Het helpt haar om ritme te houden bij het schrijven. Ze gelooft in de liefde als oorsprong van alle schoonheid en ook dat sommige dingen onherstelbaar zijn. Ze gelooft nog hardnekkiger dat je ook op scheve hakken kunt dansen. Lara won met haar debuutroman 'De kinderen van Calais' de Debuutprijs 2015. Haar tweede roman 'Hotel zonder sterren' komt dit najaar uit.

Lees verder in Mensen

Colofon

Adres Redactie

Toko Space t.a.v. Charlie Magazine
Statiestraat 139
2600 Antwerpen