Column

Het ontwaken

Het ontwaken

Als er voor de tweede keer in mijn neus gebeten wordt, doe ik toch maar één oog open. ‘MAMA!’, klinkt het verrukt op anderhalve millimeter van mijn oog. Ik veeg het kwijl van mijn neusvleugels en kijk langs mijn veertien maanden oude zoon naar de wekker. Dat vreesde ik al. Iets voor zes en kindlief proeft het krieken van de dag al. Ik probeer te verdwijnen in de dons van mijn kussen. ‘BOE!’ hoor ik ondertussen onder het deken, waar het jochie schaterend verstopt ligt. Als hij gelukzalig het deken van zich aftrekt, fonkelen zijn ogen harder dan de sterren die niet zo lang gelden de nacht sierden. Een rups in een slaapzak, die niet kan wachten om door de dag te fladderen. Ik doe nog een halfslachtige poging om hem drinken aan te bieden, maar mijn rondje wordt afgeslagen.

Wel wil hij protjes blazen op mijn borst en de fascinerende wereld van mijn haar ontdekken. Ik geef het op en vraag: ‘Gaan we opstaan?’ ‘JA!’, klinkt het in een blije zucht – op een toon alsof ik een woestijnreiziger met beperkt gevoel voor richting een glas water aanbiedt. Het aapje klemt zich om mij heen met al zijn armen, benen en tenen en even later staan we op de overloop door het raam te kijken naar wie er nog allemaal wakker is. De bus, de fiets, de maan, de auto’s. Zijn schrille jongensstemmetje groet ’s ochtends de dingen.

“Mijn ogen laat ik weer dichtvallen, ik kan het boek ondertussen dromen en de mini kan pagina’s omslaan.”

Ik laat me een trap hoger vermurwen om een boek voor te lezen terwijl ik op de wc zit – kind en lectuur op schoot, billen bloot. Mijn oogleden laat ik weer dichtvallen, ik kan het boek ondertussen dromen en de mini kan pagina’s omslaan. Met mijn ogen dicht voel ik zijn ruggetje tegen mijn buik, zijn hoofd in mijn nek, en het wiebelen van zijn hieltjes tegen mijn kuit. Een pamper en kietelfeest later bedank ik de Katrijn-Van-Gisterenavond om kleren te leggen voor de mini. En vloek ik wederom dat er geen stapeltje voor mij klaarligt. Dan maar weer die broek met snot en yoghurt en de trui waar ik normaal gezien in verf.

Wanneer we aan het ontbijt zitten, wijst een vingertje naar de venster. ‘OCHEL’, klinkt het in hoofdletters. Honderden donkere scherven flikkeren in het ochtendgloren, een grammofoonplaat in duizend stukken. Verwonderd kijk ik naar de vlucht kauwen en even vlieg ik mee over het huis. Het kind kauwt ondertussen tevreden op een druif. Ik daarentegen voel me helemaal bruisen, alsof de vogels in mij rondfladderen. Het is niet de eerste keer dat een wolk veren over ons huis trekt, maar zo voelt het wel. De verwondering slaat om in verrukking: ik die dacht het leven te laten zien aan mijn kind. Het blijkt eerder omgekeerd. En het mooiste van al, is nog dat mijn zoon er allemaal beperkt van onder de indruk is. Alles is wat het is.

Glimlachend denk ik aan wat ze zeggen over filosofie – dat het ontstaat over verwondering. En dan, dat wie die verwondering wil bereiken, door de ogen van een baby moet kijken. Wat een romantisch ideaal. Als er nu één mensensoort is die zich nergens over verwondert, dan is het wel een baby, peuter of kleuter. Ze vinden alles gewoon. Of even raar. Melk uit borsten, melk uit flessen, melk uit tafellakens? Allemaal even normaal. Papa die zingt, fluit of pimpelmezen uit zijn mond doet vallen? Business as usual. Elke dag is immers een wonder! En dus is geen enkele dag een wonder. Zo’n minimens stelt eenvoudigweg vast. Wie het absurde als normaal omarmt, kent geen verwondering.

“Wie het absurde als normaal omarmt, kent geen verwondering.”

Tot de routine binnensluipt, en de patroonherkenning van het vleesgeworden algoritme de bovenhand neemt. Want was is het tegenovergestelde van een wonder? Geen ramp of catastrofe. Maar het gewone. En pas als dit er is, begint een kind vragen te stellen – Maar waarom dit, waarom dat, en waarom zo…? Geen wonder dat ouder de dooddoener ‘daarom’ al snel op tafel gooit. Naast inductie, deductie is daarom-ductie het laatste puzzelstuk om verwondering in leven te roepen. Want uiteindelijk zijn er twee keuzes: ofwel kies je ervoor om het te doen met de antwoorden die je hebt. Dat is een prima keuze, een mens moet immers kunnen functioneren. Ofwel is er de tweede optie: onvrede met die uitleg, met ‘het is wat het is’ en het besef van de eigen ontoereikendheid. Daaruit bestaat de rode loper voor de verwondering. En voor humor, overigens, maar dat is een ander verhaal.

Ik kijk naar mijn zoon: die alles catalogiseert, opslaat, langzaam patronen ontdekt. Het is door zijn opmerkzaamheid, dat ik weer zie. Ontdek. Ontdenk. Niet door zijn verwondering, nog niet. Maar zijn wakkere blik wakkert mijn joie de vivre aan. Hij wrijft de slaapkorrels weg en opent me de ogen voor wat er altijd al was. ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet, en het is… het gewone leven’. En wat is dat mooi. Zelfs om half zeven ’s ochtends. Misschien vooral dan.

Foto: Sarah Van Looy

Schrijf je reactie

1 reactie

Schrijver, impro-actrice, mama, geliefde, zelfstandige, vriendin, mopjesmaker… Katrijn Van Bouwel is een vrouw met ballen. Erg veel zelfs. Die in de lucht houden is zelfs voor de meest ervaren jongleur een opdracht. Maar scherven brengen geluk. Tussen to do-lijstjes en romanhoofdstukken peinst en pent Katrijn over wat haar treft, waar ze over struikelt en wat alles uiteindelijk toch zo mooi maakt.

Lees verder in Mensen

Colofon

Adres Redactie

Toko Space t.a.v. Charlie Magazine
Statiestraat 139
2600 Antwerpen