Column

Bestemming: terminus

Bestemming: terminus

Ze is 95. Fier. Rondborstig, zoals alleen grootmoeders van tussen de twee wereldoorlogen dat kunnen zijn.

Ze is 95 en schreit zichzelf elke avond in slaap, biddend tot haar god dat hij haar ’s nachts zou komen halen. Omdat het goed is geweest. Omdat ze haar man mist, die in 2011 – zijn hand genesteld in de hare – opsteeg uit zijn ziekbed, melkwegstelsels tegemoet. Omdat ook haar vrienden lang dood zijn. En haar jongere broers.

Ze is 95 en vindt haar draai maar niet in het rusthuis, waar ze noodgedwongen heen moest wegens te veel zorg vandoen. Het eten is er niet te vreten, vertelt ze aan iedereen die het horen wil (of niet). En dat ze met niemand nog een gesprek kan voeren dat ergens anders over gaat dan het weer.

Dat haar man ook zou schreien, moest hij het zien, mocht hij het weten.

Ik dacht altijd: een mens wil zich vastklampen aan het leven. Maar zo niet zij. Het leven is óp.

Dat hij altijd eenzame ouderen van dagen ging bezoeken in het OCMW-rusthuis van hun geliefde dorp, en bij zijn thuiskomst telkens weer zei: ‘Daar gaan wij niet naartoe, moeder. Daar zijt ge dood terwijl ge nog leeft. ’t Is te triestig voor woorden.’

Maar dat ze hier toch maar mooi zit nu. In een rolstoel bovendien, want die benen hebben het ook laten afweten.

Ik dacht altijd: een mens wil zich vastklampen, vastklinken aan het leven. Met kettingen van roestvrij staal. Maar zo niet zij. Het leven is óp. En met het leven ook de goesting. Er is niks meer. Er was. Er is alleen nog maar wat was.

Zij wil niet meer zijn.
Maar ze wil ook niet vertrekken met een spuitje.
Je weet nooit dat het waar is, van dat vagevuur.
(Zegt ze niet letterlijk, maar het schuilt tussen haar zinnen en in de kieren van haar woorden.)

Ik weet niet waar ik de troost kan halen die ik haar wil schenken, liefst in ouderwets, mooi papier en met een grote strik errond.

Wanneer ik – een meter vijfentachtig en 87 kilo schuldgevoel – nog eens bij haar geraak op een verloren zondag, klaart ze op als de hemel na een warmteonweer. Dan worden haar wangen weer rozen. Zonder stekels. Dan dansen er lichtjes in haar ogen, als een Weense wals. Slaat ze haar armen rondom mijn lijf met de kracht van een twintigjarige. ‘Pak mijn portemonnee,’ zegt ze dan. ‘We gaan een glas drinken in de cafetaria!’

Zij nipt van een glas witte wijn, ik van een blond abdijbier. We plukken om beurten een zoute chips uit een zakje. Ik luister naar de verhalen en verzuchtingen die mij al lang vertrouwd zijn alsof ik ze hier voor het eerst hoor. Zó uit de lucht kom ik gevallen.

‘Ja, vader zou schreien moest hij het zien. Mocht hij het weten.’

En ik knik. En ik weet niet waar ik de troost kan halen die ik haar wil schenken, liefst in ouderwets, mooi papier en met een grote strik errond.

Ze is 95 en ik zie haar graag.
Ze is 95 en nog liever zag ik haar niet zo ongelukkig.
En liefst van al zag ik haar niet meer schreien. Nooit meer.

Als een gebed dat verhoord wordt.

 
Foto: Istock

Schrijf je reactie

11 reacties
  • Tineke says:

    Een pakhuis? 2 dochters van mij werken er en proberen elke dag opnieuw een lach op de bewoners hun gezicht te toveren, want dan pas sluiten ze hun ‘werkdag’ met voldoening af. Soms wordt hen gezegd dat zij er ‘schuld’ aan hebben dat de bewoners te lang blijven leven, door de goede zorgen, hun nooit aflatende geduld, moed en optimisme. En toch, telkens weer komen deze zorgverleners in het vizier.
    Onregelmatige, late en gesplitste uren, ook op hun vrije dagen altijd stand-by, 2 weekends op vier, lage verloning. Psychisch én fysiek heel zwaar werk.. Aanhoudende besparingen in de zorg waar de witte ‘woede’ door hun verantwoordelijkheidszin voor de medemens en hun team afglijdt in enkel nog frustratie en teleurstelling omdat ze als geprogrammeerde robotten dienen te functioneren. Dankzij onze beleidsmakers die het werkveld van alle zorgverleners in ons land enkel met cijfers en procenten smukken is de menselijkheid al lang geen thema meer. Mijn wekelijks bezoek aan een ‘pak’?huis in de buurt doet mijn waardering en respect alleen maar groeien.

  • Kobe says:

    Mooi Jeroen, met tranen in mijn ogen laat je mij terugdenken aan mijn Oma. De laatste blik tussen ons in die kille gang in het bejaardenhuis zal me eeuwig bijblijven.

  • Kim says:

    zo herkenbaar, en waar idd.

  • Ann says:

    Amai ! Prach-tig artikel dat raakt, binnenkomt ! Zo waar…

  • Lies says:

    Daar wordt ne mens stil van… Prachtig geschreven!

  • J says:

    Voor mijn méméke, die bij elke val uit haar rolstoel, elke keer uitglijden in het bad van het rusthuis… ook hoopt dat het finaal gedaan is en verontwaardigd is dat het niet zo is. (en daarom niet meer in God gelooft). Sterke voorvechster van recht op het eigen leven, maar au fond een frêle madame, bang om te beslissen, misschien toch bang voor de dood? Dan maar troosteloos voortbestaan en kleurplaten kleuren hele dagen lang…

  • Marleen says:

    Zo’n mooi pareltje van een schrijfsel! …maar er zou toch een verandering moeten kunnen tot stand komen…mensen horen niet thuis in een ‘pakhuis’!

Copywriter, journalist, woordvoerder, boekenwinkeluitbater, (dorps)dichter… Het cv van Jeroen (42) verzamelt een bonte verzameling stielen en geen ongelukken, met één grote rode draad: taal. Sinds 2013 is hij aan de slag als creatief schrijver bij Studio 100, waar hij onder meer boeken en magazines maakt. Daarnaast heeft hij ook zijn eigen schrijfbedrijfje, De Zinnenspinnerij. Maar voor alles is hij papa van een mondige zoon, Cas (6), die al eens een hoofdrol speelt in Jeroens column voor Charlie Magazine.

Lees verder in Mensen

Colofon

Adres Redactie

Toko Space t.a.v. Charlie Magazine
Statiestraat 139
2600 Antwerpen