Waarom je best bewust monogaam bent. Of net niet.

Een pleidooi voor relationele emancipatie

Als we een relatie hebben, sluiten we heel wat compromissen. Over het eten op ons bord, de kleur van de verf, de stijl van de meubels, de opvoeding van de kinderen, enzovoort. Maar we bespreken maar zelden de wijze waarop we als koppel willen samenleven. We doen het, omdat het zo hoort. We praten vaak pas over onze relatievorm als er een grens overschreden is. Het zou veel beter zijn om erover te praten voordat zich iets voordoet.
Deze longread is een hoofdstuk uit het boek Waarom mannen geen seksboeken kopen, verschenen bij Manteau.
In onze cultuur kozen we voor het systeem van de (seriële) monogamie. Of liever: zo doen we het meestal. Het is belangrijk om daar even over na te denken. Een ingeburgerd concept als monogamie heeft een enorme impact op je leven. Misschien voel je dat je verlangens niet altijd in dat keurslijf passen, misschien heb je daar vragen over. Daarom is het belangrijk om te weten waarom we kiezen voor monogamie. Is dat wel de beste oplossing? Jij en je partner beslissen hoe jullie samenleven. Doe dat bewust. Lees dit hoofdstuk en als je daarna vindt dat je monogaam wilt zijn, worden of blijven, dan zal het meer zijn dan een culturele traditie. Dan is het een sterke en doordachte keuze.

We duiken in dit hoofdstuk de geschiedenis, antropologie, natuurwetenschap en zelfs een stukje neurobiologie in. We kunnen er maar van bijleren. Oogkleppen af en vooral voor jezelf denken is het motto. Want, in alle openheid praten over monogamie is nog altijd een taboe. Wie het onderwerp aansnijdt, belandt al te vaak in een discussie over overspel en bedrog, terwijl dat niet zo hoeft te zijn. Daarover later meer.

“Er staan nog te veel heilige huisjes overeind: we praten moeilijk over onze seksualiteit.”

Als we de discussie over zin en onzin van monogamie een eeuw geleden zouden hebben gevoerd, zou de preutse Victoriaan zich hebben verslikt in zijn earl grey. Monogamie werd toen gezien als een oerinstinct, als onze natuur. Het werd niet ter discussie gesteld, omdat man en vrouw duidelijk afgelijnde rollen hadden. De victoriaanse man droeg de riem en was de enige kostwinnaar. De vrouw fungeerde als moeder en huisvrouw: de was, de plas, de kinderen.

De seksuele verhouding was duidelijk. Mannen eisten seks wanneer ze daar behoefte aan hadden, vrouwen moesten het ondergaan. Die treurige tijd is gelukkig voorbij. Er is sindsdien veel veranderd. Het patriarchaat heeft plaatsgemaakt voor gendergelijkheid. Een seksuele revolutie vond en passant plaats. Heeft die ons dan niet bevrijd? Ja en nee. We zetten een stap vooruit, maar het bleek maar een briesje dat al snel weer ging liggen. Goed, slechts een enkeling kijkt nog op als we zeggen dat man en vrouw gelijk zijn, dat ze allebei het recht hebben om nee te zeggen. Anderzijds staan er nog te veel heilige huisjes overeind: we praten moeilijk over onze seksualiteit.

“We zijn kinderen van de evolutie. We dragen onze dierlijke instincten nog altijd mee, of we dat nu fijn vinden of niet.”

Laten we het eens écht over monogamie hebben, de voornaamste relatievorm van de westerse mens. Hij is fervent voorstander van het huisje-boompje-beestje principe, al loopt dat niet altijd goed af. Je herkent het misschien: je wordt verliefd, je hokt samen, je voelt je zielsgelukkig, je koopt een huis en uiteindelijk trek je toch de stekker uit je relatie. Of anders: je wordt verliefd en vrijt bijna ononderbroken, je krijgt een kind, je zorgt ervoor, het verlangen daalt, je blijft samen, maar na een tijdje ga je toch uit elkaar.

Die scenario’s zijn geen fictie, ze zijn een universele realiteit. De Amerikaanse antropologe Helen Fisher onderzocht de echtscheidingscijfers in tientallen samenlevingen. Ze vond in bijna alle culturen een piek bij relaties van ongeveer vier jaar. Je kunt dus zeggen dat we een relationele houdbaarheidsdatum hebben. En die komt in tal van culturen voor. Betekent dat dan dat het ons ingebakken zit, maakt het deel uit van wie we zijn? Daarvoor kijken we even naar het dierenrijk. Tenslotte zijn we kinderen van de evolutie. We dragen onze dierlijke instincten nog altijd mee, of we dat nu fijn vinden of niet.

Het beest in ons

Er is maar één diersoort die we absoluut monogaam kunnen noemen: de Diplozoon paradoxum, een platwormpje dat leeft in de ingewanden van vissen. Als larve versmelt het met een soortgenoot. De twee gaan letterlijk over in elkaar en worden samen een karaktervolle X. Aan elkaar gebonden tot de dood hen scheidt, dan moet je wel monogaam zijn.

Maar wat dan met de vrolijk waggelende, hondstrouwe pinguïns? De koning van de natuurdocumentaire Sir David Attenborough vertelt ons dat pinguïnkoppels samen plichtbewust hun eieren beheren. Dat klopt, maar het blijft niet duren. Ze blijven maar één jaar bij elkaar, tot de jonkies klaar zijn om op eigen benen te staan. Daarna beginnen ze een nieuwe paringsdans met een nieuwe partner. De pinguïn is dus, net als wij, serieel monogaam. En er zijn nog gelijkenissen: ook zij doen aan sekswerk. Sommige vrouwelijke adéliepinguïns vrijen met de ongebonden mannetjes van de groep in ruil voor een steentje voor hun eigen nest.

Pinguïnkoppels blijven maar één jaar bij elkaar, tot de jonkies klaar zijn om op eigen benen te staan. Via Istock

Wat dan met de zwanen? Zij blijven toch eeuwig samen, als toonbeeld van monogamie? Fout gegokt. Het gebeurt geregeld dat de zwaan zijn of haar partner bedriegt of verlaat. En duiven dan, het symbool voor het huwelijk? Alweer: mis. Ze doen zich wel monogaam voor, maar schijn bedriegt. Terwijl de partner de eieren bewaakt, durven ze het echtelijke pact te schenden door een ander mannetje of vrouwtje stiekem een seksbezoekje te brengen.

“In de klasse van de zoogdieren probeert 3 procent zich levenslang exclusief aan dezelfde partner te binden.”

In het dierenrijk worden we dus niet geboren om ons aan één partner te binden. De ark van Noach is geen zaak van Adam en Eva, het is een kwestie van Adammen en Eva’s. Bijna geen enkele diersoort is monogaam. In de klasse van de zoogdieren probeert ongeveer 3 procent zich levenslang exclusief aan dezelfde partner te binden, zoals de prairiewoelmuis, waarover we het later hebben. Min of meer 9 procent blijft langer dan één broedseizoen bij de partner.

Laat ons biologisch nog een stap dichter bij de mens komen: de primaat, onze genetische subcategorie. 15 tot 20 procent van alle aapachtigen (waaronder de mens) leeft meestal monogaam samen. En daar hoort nog een kanttekening bij: sommige primaten zijn monogaam omdat ze in afzondering leven. Ze lopen weinig nieuwe potentiële partners tegen het lijf. Ze zijn niet per se monogaam van nature, maar eerder door omstandigheden.

Hoe zit het dan met de bonobo, onze biologische broeder? We hebben voor 99,6 procent hetzelfde DNA. Ze lijken dus op ons, maar kiezen ze dan ook voor monogamie? Nee. De bonobo’s doen het vaak en met velen. Seks is de sleutel van hun sociale leven. Ze lossen er zelfs conflicten mee op. Jaloezie bestaat er niet. Omdat seks alomtegenwoordig is, hoeven de mannetjes tenslotte niet jaloers te zijn en te strijden om wie mag (want ze mogen allemaal) of boos te zijn omdat iemand anders mag (straks mogen ze toch). Ook homoseksualiteit is geen taboe: mannen schermen lustig met hun penissen, vrouwtjes ontpoppen zich als ware scissor sisters. Bij de bonobo hangt seks dus niet af van één partner of geaardheid.

Als bonobo’s elkaar begroeten doen ze dat met een vluggertje. Via Istock

Bonobo’s zijn zeer intelligente dieren met een empathisch vermogen, die net als wij wel voor meer redenen vrijen dan de loutere voortplanting. Ze doen het per geboortecyclus zo’n 1000 keer, net als de mens. Hun vrouwtjes zijn meestal beschikbaar voor seks, net zoals bij de mens. Ook onze vrouwen zijn meer wel dan niet ontvankelijk. Alleen tijdens de korte menstruatieperiode ligt het moeilijk.

“We moeten aanvaarden dat er diep vanbinnen een bonobo in ons schuilt.”

De bonobo houdt van veel seks en heeft geen reden nodig om het te doen, meer nog: het is de ruggengraat van hun samenleving. Als mensen elkaar begroeten, doen ze dat met een kus of handdruk. Als bonobo’s elkaar begroeten doen ze dat met een vluggertje. Zo’n quickie noemt men ook wel de ‘handdruk van de bonobo’. Al betekent dat niet dat ze geen romantiek kennen. Ze kussen elkaar en houden elkaars handen (en voeten) vast. Als ze seks hebben, kijken ze elkaar vaak diep in de ogen.

De intelligentste dieren op de planeet – de chimpansee, de dolfijn, de bonobo en de mens – zijn allemaal promiscue. Slimme dieren weten blijkbaar waarom. Is het dan realistisch om monogamie na te streven terwijl we op een polygame leest zijn geschoeid? Oké, we zijn geen bonobo’s, we zijn meer dan alleen ons instinct. En: liefde is een werkwoord. Maar dan nog moeten we aanvaarden dat er diep vanbinnen een bonobo in ons schuilt. En dat die ons kan uitdagen als we ons aan één partner binden. Misschien helpt het ons om terug te gaan in de geschiedenis, naar het stenen tijdperk. Hoe deden we het toen?

Hoe deden we het vroeger?

Het is moeilijk met zekerheid te zeggen hoe onze voorouders ermee omgingen. De essentie van wat we weten, is het volgende. De mens was vroeger een jager-verzamelaar. We leefden in groep en trokken rond. Onderzoekers gaan ervan uit dat die samenlevingsvormen egalitair waren. Mannen en vrouwen hadden er dus ongeveer dezelfde rechten. Dat komt waarschijnlijk omdat ze weinig tot niets hadden. Behalve de hap, het vuur, de zorg voor de kinderen en eventueel het bed, was er niets om te verdelen. En als er niets te verdelen is, dan heb je geen reden tot ruzie. In een nomadische samenleving is het de beste strategie om alles te delen, ook elkaar. Als Jan ziek is, jaagt Steven wel wat meer. Is Tine zwanger, dan zullen Jan en Steven haar helpen. Zo vangt de groep de noden en zwaktes van de individuen op. De kans is groot dat dit ook seksueel zo was: polyamorie (een liefdesrelatie hebben met meer dan één persoon) is de meest voor de hand liggende optie. Bovendien: als de (vermoedelijke) vader van het kind wegvalt, zijn er andere mannen die kunnen bijspringen in de zorg voor moeder en kind. De jager-verzamelaar was dus waarschijnlijk polygaam en/of polyamorisch, al kenden ze vermoedelijk verschillende samenlevingsvormen, afhankelijk van het klimaat, het beschikbare voedsel en het aantal potentiële partners.

Penisbroeders en het matriarchaat

De Ethnographic Atlas vertelt ons dat 17 procent van alle culturen monogaam is, 77 procent is polygaam (één man, meerdere vrouwen) en 1 procent polyandrisch (één vrouw, meerdere mannen). De monogamisten zijn dus in de minderheid en bij de polygame culturen is het vooral de man die mag kiezen. Toch zijn er culturen waar de vrouw het voor het zeggen heeft.

Bepaalde Zuid-Amerikaanse stammen geloven in de theorie der gedeelde vaders. Ze denken dat baby’s worden gemaakt van het sperma van meerdere mannen. De vrouwen kiezen zorgvuldig welke mannen geschikt zijn, op basis van hun kwaliteiten. Ze doen het bijvoorbeeld met Martino, omdat hij goedlachs, groot en sterk is. Ze vrijen met Carlos omdat hij handig en optimistisch is en met Paulo omdat die zo empathisch is en de hele groep aan elkaar lijmt. Die zaad mix zou een baby opleveren met al die kwaliteiten. De vrouwen onderhouden dus meerdere seksuele relaties, met het oog op die droombaby. Carlos, Martino en Paulo worden penisbroeders (of poesneven, zo je wilt) die allemaal helpen met de opvoeding van het kind. Van jaloezie is er geen sprake. Net zoals de bonobo zien ze seks niet als een exclusiviteit binnen één relatie.

“De menselijke natuur is bovenal een toonbeeld van diversiteit. Elke cultuur kijkt anders naar seksualiteit.”

Een ander voorbeeld zijn de Mosuo, een Chinees volk in de bergen rond het Lugumeer. Met 56.000 leven ze in een bijzonder familiesysteem. De vrouw zwaait de scepter: eigendom en achternaam worden doorgegeven van moeder op dochter. Dat zag ontdekkingsreiziger Marco Polo in 1265 met zijn eigen ogen. Als een Mosuomeisje dertien wordt, krijgt ze haar eigen babahuago, vrij vertaald: ‘bloemenkamer’. Die kamer heeft een ingang langs het binnenplein van het huis, maar ook eentje aan de straatkant. Daar kuieren de mannen en jongens elke avond langs, to get lucky. De vrouw mag vrijen wanneer en met wie ze wil, zij beslist wie mag binnenkomen. De enige regel: voor dageraad moet haar gast vertrokken zijn. De vrouwen kunnen verschillende minnaars ontvangen per nacht en hoeven zich aan niemand te binden.

De Mosuo vrouwen kunnen verschillende minnaars ontvangen per nacht en hoeven zich aan niemand te binden. Via Wiki Commons

Sommigen van die vrouwen gaan een bijna monogame relatie aan, anderen hebben tientallen minnaars. De Mosuo’s maken er geen zaak van: wie dan ook mag seks hebben met hun vrouwen, zussen of dochters. Jaloezie bestaat er opnieuw niet. Sterker nog: het volk heeft er zelfs geen woord voor. Net zoals ze de begrippen echtgenoot, oorlog, moord of verkrachting niet kennen. De seksuele vrijheid is er absoluut. Als dat tot kinderen leidt, worden die in diezelfde traditie grootgebracht. De Mosuokinderen worden groot in het huis van hun moeder. Ze worden opgevoed met hulp van broers, zussen en de hele gemeenschap. De (vermoedelijke) vader van het kind blijft gewoon in het huis van zijn moeder wonen. De Mosuo wonen tot op de dag van vandaag zo bij elkaar.

Deze voorbeelden bewijzen dat de menselijke natuur bovenal een toonbeeld van diversiteit is. Elke cultuur kijkt anders naar seksualiteit: polygaam versus (serieel) monogaam, patriarchaal versus matriarchaal. In de meeste samenlevingen vinden we een mix van die relatietypes. Monogame culturen hebben bijvoorbeeld veel (verborgen) polygame leden. Want ook in onze cultuur wordt veel vreemdgegaan.

Zit monogamie in onze genen?

Onze samenleving is voornamelijk monogaam, maar niet iedereen is een toppertje als het aankomt op partnertrouw. De wetenschap lijkt aanwijzingen daarvoor te vinden in onze hersenen. Om te begrijpen hoe dat zit, moeten we even een uitstapje maken naar het seksleven van de woelmuis. De prairiewoelmuis is een van de weinige monogame diersoorten. Ze blijven voor het leven bij elkaar en ze doen allebei evenveel voor het kleintje. Het mannetje beschermt de jongen terwijl het vrouwtje voedsel gaat zoeken. Als deze monogame muis een partner vindt, dan paart hij er verschillende keren mee in een tijdspanne van 24 uur. In die duur draait zijn hypothalamus overuren. Dat deel van zijn hersenen speelt een cruciale rol bij eten, vechten, vluchten en paren. Zo onthoudt de muis hoe zijn partner voelt, ruikt en eruitziet. Van dan af is de muis verkocht. Als een ander vrouwtje interesse toont, zal hij haar agressief afwijzen. De seksuele activiteit linkt de herinnering aan die ene partner. Zo versmelt het neurologische liefdescircuit met het lustcircuit. Hij wil van geen andere partners weten. Bij zijn neefje de bergwoelmuis ligt dat anders. Die is van nature tuk op partnervariatie.

“Vasopressine bindt je aan je partner. Dopamine is de plezierzoeker: gericht op lust en seksueel genot.”

We nemen even de hormonenhuishouding van die neefjes onder de loep. Beide woelmuizen maken vasopressine en dopamine aan bij seks. Dat eerste kun je beschouwen als het monogamiehormoon: het bindt je aan je partner. Dopamine is de plezierzoeker: gericht op lust en seksueel genot. De wetenschap onderzocht beide muizen en blokkeerde de vasopressinereceptoren bij de prairiewoelmuis. Daardoor kreeg het monogamiehormoon geen vat meer op zijn brein. Het resultaat: onze monogame vriend deed het met verschillende partners.

De Zweedse onderzoeker Hasse Walum trok dat experiment door naar de mens. Hij onderzocht 552 tweelingen van hetzelfde geslacht, mannen én vrouwen. Zij hadden allemaal een heteroseksuele relatie die al minstens vijf jaar duurde. Hij keek of vasopressine en partnertrouw aan elkaar te linken waren.

Het resultaat: jawel, maar alleen bij mannen. Mannen hebben variaties in een deel van het gen dat codeert voor de receptor van vasopressine. Sommige mannen hebben geen variaties, anderen eentje, nog anderen hebben er twee. Hoe hoger dat aantal, hoe minder vat die vasopressine krijgt op ons brein. Hoe minder dat hormoon zich in onze hersenen nestelt, hoe slechter we scoren op het vlak van kwaliteitsvolle relaties. Mannen met twee van die variaties in gendeeltjes bleken minder vaak getrouwd dan wie er één of geen had. Ook maakten ze dubbel zoveel kans op een relationele crisis en waren ze vaker ontrouw aan hun partner.

“We zijn niet allemaal even sterk afgesteld om seks te reserveren voor een monogame relatie.”

Een andere studie, uitgevoerd door Brendan Zietsch, een psycholoog van de universiteit van Queensland in Australië vond dan weer een link tussen vrouwen, partnertrouw en vasopressine. En zo duiken er de laatste tijd meer en meer studies op die een link vinden tussen partnertrouw en genetica. Wat betekent dat voor de praktijk? Zullen we vasopressinepoedertjes door onze partner zijn gin-tonic roeren om hem of haar hondstrouw te maken? Gaat de monogamie een alliantie aan met big pharma? Het is niet alleen mogelijk, het is zelfs zeer waarschijnlijk. De wetenschap is er nu al mee bezig. Er loopt een onderzoek naar een vasopressineneusspray. Het vraagstuk: kan die altruïsme, en in het verlengde daarvan partnertrouw, stimuleren? Omgekeerd zou een oxytocinespray mogelijk vertrouwen en liefde kunnen versterken.

Hebben alle mannen die een scheve schaats hebben gereden nu het excuus bij uitstek? Natuurlijk niet. We zijn meer dan onze hormonen, net zoals we meer zijn dan de bonobo in ons. Maar, onze genetica speelt naar alle vermoeden een rol. Niet iedereen lijkt met dezelfde biologische riemen te roeien als het aankomt op trouw en overspel. We zijn met andere woorden niet allemaal even sterk afgesteld om seks te reserveren voor een monogame relatie.

“Triootjes en groepsseks staan bovenaan onze pornografische hitparade en we hebben vaak minder zin in seks als we langer in een monogame relatie zitten.”

In dit boek vonden we al verschillende aanwijzingen voor een niet-monogame natuur. Denk maar aan onze pannenlikkerpenis die het zaad van concurrenten wegschraapt uit de vagina. Of onze overvolle zaadschuur, met véél te veel sperma om maar één partner te bevruchten. Bovendien fantaseert de overgrote meerderheid wel eens over iemand anders en masturberen we vrijwel allemaal dat het een lieve lust is. Triootjes en groepsseks staan bovenaan onze pornografische hitparade en we hebben vaak minder spontane zin in seks als we langer in een monogame relatie zitten.

We mogen dus niet blind zijn voor het beest dat in ons schuilt. Laten we het de aandacht geven die het verdient. We zien (seriële) monogamie meestal als een voldongen feit. Daardoor lopen we vaak blind in valkuilen. Als onze spontane zin in seks afneemt, denken we dat het aan onszelf of onze partner ligt. Ik denk dat het vaak hieraan ligt: we hebben te weinig aandacht voor onze natuur. We zien seks als iets exclusiefs, we dragen taboes mee en durven er niet over te praten. En zo maken we het onszelf en onze partner nodeloos moeilijk.

Monotone monogamie?

De westerling leeft monogaam en kiest vaak voor huisje, tuintje, kindje. Een perfect scenario voor velen, al schuilt er een gevaar in: monotonie. Ook wel bekend als de sleur in een relatie. Je ziet er geregeld symptomen van opduiken: we verliezen spontane zin in seks, we fantaseren allebei over iemand anders. In het slechtste geval hebben we zelden of nooit nog seks. Sommigen geven het helemaal op en zetten een punt achter de relatie, want het gras lijkt zoveel groener aan de overkant. Een tijdje later vinden ze iemand nieuw, maken ze nieuwe geloften en beloven ze zichzelf die fouten nooit meer te maken. Dat is vaak ijdele hoop. Dezelfde cyclus begint opnieuw: huwelijk na huwelijk, generatie na generatie.

“Monogamie is een nobel doel, maar geen koud kunstje.”

We voelen allemaal wel eens de drang naar iets of iemand anders. Zijn we dan polyamoristen, gevangen in een monogaam keurslijf? Voor sommigen onder ons is dat een feit: sekswerk is in onze cultuur verweven als schaduwkabinet van partnertrouw. Ook vreemdgaan is geen uitzondering. De kans dat het je overkomt is zelfs zeer reëel. Volgens Sexpert (2012), het grootste en meest betrouwbare seksonderzoek ooit uitgevoerd in Vlaanderen, rijdt een kwart van de Vlaamse mannen wel eens een scheve schaats, tegenover een op de vijf vrouwen. Dertigers kleuren het vaakst buiten de lijntjes: een op de drie ging ooit vreemd, daarna volgt de groep tussen 50 en 64 jaar. De jongvolwassenen tussen 18 en 29 jaar vervolmaken de top 3. In Nederland biecht 78 procent de ontrouw op en na de bekendmaking wordt er in de helft van de Nederlandse gevallen een eind gemaakt aan de relatie. Want, partnertrouw is cruciaal in monogamie.

En dan hebben we het alleen over scheve schaatsen, niet over verliefdheid. 24,2 procent van de respondenten in Sexpert geeft aan al eens verliefd te zijn geweest op iemand anders terwijl hij of zij in een relatie zat. 16,2 procent werd zelfs meerdere keren verliefd op iemand anders terwijl hij of zij in een relatie zat. We kunnen concluderen: monogamie is een nobel doel, maar geen koud kunstje.

De vraag is: moeten we geschokt zijn dat het beest in ons soms naar adem hapt? Dat we verlangens voelen die ons monogame leven uitdagen? Diep vanbinnen weten we allemaal dat lange relaties, laat staan een huwelijk voor het leven, niet evident zijn. En toch hopen we allemaal die bumpy ride te vermijden. Waarom houden we zo halsstarrig vast aan die illusie? Waarom romantiseren we de liefde zo? Mogelijk zijn het de naweeën van de verliefdheid. Wie smoorverliefd is, is hondstrouw. Het is een fluitje van een cent om ons te hechten. Onze hormonen bouwen een drugsfeestje in ons brein, al neemt ons brein ons in het ootje. Mijn oud-professor seksuologie Alfons Vansteenwegen vergelijkt in zijn klassieker Liefde is een werkwoord verliefdheid met een oogziekte.

Als je verliefd bent zie je iemand niet zoals hij is, maar zoals je wenst dat hij is. Je ziet dingen die er niet zijn of je ziet precies de dingen die er wel zijn lastige karaktertrekken bijvoorbeeld helemaal niet. Verliefdheid is dus een oogziekte, voor een groot deel illusie, een projectie.

Verliefdheid kan zo vlinderend zijn dat we wel voor elkaar ‘gemaakt moeten zijn’. Verliefdheid, dat is het broedseizoen van de liefde. En dus denken we dat we de monotonie te snel af kunnen zijn. Toch komen er na verloop van tijd twijfels. Plots zien we dat die ene collega ook wel iets heeft. En dat onze partner ook zijn of haar mindere kantjes heeft. De roze bril ruimt langzaamaan baan voor een nuchtere kijk op de liefde. En soms blijkt die partner dan niet meer voldoende.

Anders is niet beter

We kunnen vraagtekens zetten bij onze monogame samenleving, maar wat zijn de alternatieven? Gewoon switchen van samenlevingsvorm? Dat is geen oplossing. We hebben allemaal onze eigen seksuele instincten. De een voelt zich beter in een monogame relatie, de ander houdt van open romances. Een derde blijft liever single, nog anderen willen liefst polyamoureus door het leven gaan. Smaken verschillen, dat geldt ook voor relatievormen en seks. Anders is dus niet noodzakelijk beter.

Laat ons niet vergeten dat monogamie veel voordelen biedt. We leven in een romantische cultuur, we houden van hollywoodiaanse of shakespeareaanse liefdesverhalen. We gaan gezellig samenwonen, we dromen van een eeuwigdurende liefde. En terecht ook, monogamie is een mooi ideaal. Dat zie ik aan de vele koppels die, ondanks moeilijkheden met trouw en bedrog, keer op keer rechtveren en elkaar weer in de armen vallen.

Monogame ouders bieden een kind de ideale voedingsbodem om zich te ontwikkelen. Moeder en vader profiteren emotioneel, fysiek, juridisch én financieel vaak van het samenwonen of het huwelijk. Samenblijven versterkt hun familiale opvangnet. Daardoor is het gezin een veilige haven in deze snel veranderende wereld. Monogamie in een lange relatie is het vechten waard, laat daar geen twijfel over bestaan. Het geeft zin aan het leven, al betekent dat nog niet dat andere relatievormen dat niet kunnen doen.

Monogamie verwart het beest in ons

Monogamie is best een goede keuze, het is een mooi ideaal, maar het is van belang dat je die keuze bewust maakt. Soms slaat de twijfel toe. Dat heeft niet noodzakelijk met je partner te maken. Misschien steigert je oerinstinct? Laat me dat even verduidelijken.

Als de sleur in onze relatie sluipt, gaan we meestal eerst met onszelf in discussie. We schamen ons soms voor soloseks in een relatie, voor de verliefdheid die afneemt, voor het verlangen dat vermindert, voor de seksuele verschillen in de relatie, voor het feit dat we verliefd worden op een ander. Die twijfels bespreken we al te vaak vooral níét met de partner. Want die bedenkingen doorbreken de ‘monogame illusie’, zoals de Amerikaanse seksuologe Marianne Brandon omschrijft in haar boek Monogamy: The Untold Story.

“Verlangens naar variatie zijn normaal, ook in een monogame relatie, maar ze worden lang niet altijd besproken.”

Bij koppels met seksuele problemen gaan relatietherapeuten soms graven in het verleden. Vaak vinden ze daar veel zinvolle sleutels om de problemen waar de partners mee worstelen beter te begrijpen. Hoe zit hun hechtingspatroon in elkaar? Had de vrouw een zware kindertijd waardoor ze haar man maar moeilijk écht kan vertrouwen? Heeft ze daarom veel bevestiging nodig? Leerde de man van kindsbeen af dat het beter is om te liegen dan een ongemakkelijke waarheid uit te spreken? Misschien houdt hij daar nog altijd aan vast? Dat kan een en ander verklaren, maar biedt niet altijd dé oplossing. Even vaak voelt het koppel, of één van hen, een onderhuidse behoefte aan variatie.

Zulke verlangens zijn normaal, ook in een monogame relatie, maar ze worden lang niet altijd besproken. Dan kan dat een flessenhals vormen.

Zo kreeg ik een tijd geleden een vrouwelijke cliënte over de vloer. Ze had al acht jaar een relatie en in het begin ging alles goed. Ze verlangden naar elkaar, hadden vaak seks, hun gesprekken vielen nooit stil. Hun liefde groeide en bloeide. Na het broedseizoen merkte ze dat haar zin in seks afnam. Het koppel kreeg een kind en na de bevalling verkende ze haar lichaam. Ze experimenteerde met soloseks en fantaseerde over een knappe collega. Daar voelde ze zich ontzettend schuldig over. Na een paar solo-experimentjes besloot ze om ermee te stoppen. Ze probeerde haar interne beest in slaap te wiegen. Dat was vechten tegen de bierkaai. Ze droomde geregeld over vreemdgaan, voelde verlangens voor anderen en werd zelfs verliefd op haar collega. Haar schuldgevoel werd steeds groter, ze voelde zich ontrouw.

“We willen het allemaal graag zo goed doen in onze relatie, dat we niet willen toegeven dat we basale verlangens hebben.”

Het was me snel duidelijk dat deze vrouw geen seksueel of partnerprobleem had. Hij was zorgzaam, empathisch en had het beste met haar voor. Zij hield enorm van hem. Ik vertelde haar dat ze mogelijk een behoefte voelde aan variatie en dat kwam harder aan dan ik verwachtte. De tranen biggelden over haar wangen. In haar relatie voelde ze zich een trut die nooit zin had in seks. Als ze fantaseerde over een ander, voelde ze zich een slet. Voor het eerst had ze de bonobo in haar een stem gegeven, haar verlangens uitgesproken. En daar lag de sleutel: ze zou die onderdrukte gevoelens beter een plaats geven.

Ik nodigde haar man uit voor enkele gesprekken. Eerst hij en ik alleen, daarna het koppel samen. Daaruit bleek dat de man ook wel eens verlangens voelde voor een ander. Uiteindelijk besloten ze om bewust te kiezen voor monogamie. Het bleek voor haar enorm belangrijk om daarover te kunnen spreken. Om het ventieltje wat te kunnen opendraaien en te luchten wat op haar hart lag. Te accepteren dat Echte Liefde meer is dan rozengeur en maneschijn.

Dit koppel is geen unicum in mijn praktijk, heel wat mensen worstelen daarmee. Het botst alle kanten uit. We willen het allemaal graag zo goed doen in onze relatie, dat we niet willen toegeven dat we basale verlangens hebben. Het zal je dan ook niet verwonderen dat het steeds vaker voorkomt dat partners niet het volledige leven bij elkaar blijven. Volgens de FOD Economie gaat in België tegenwoordig tussen 50 en 65 procent van de koppels uit elkaar. Vroeger was dat anders. In 1960 ging amper 6,7 procent van de koppels uit elkaar. Rond 1970 was dat 9,6 procent, in 1980 rondden we de kaap van de 20 procent, in de jaren negentig zaten we boven de 30 procent om aan de start van het nieuwe millennium rond 45 procent te belanden. Ik ben de laatste die vindt dat vroeger alles beter was, maar het zijn opmerkelijke cijfers.

“Zes op de tien Nederlandse jongeren stellen zich vandaag vragen bij de zin en onzin van monogamie.”

Die tendens herkennen we ook als we het aantal huwelijken en scheidingen vergelijken. In 2005 stapten in België 43.182 koppels in het huwelijksbootje. Datzelfde jaar vroegen 30.844 echtparen de scheiding aan. Snel omgerekend: als er 10 koppels trouwden, waren er ongeveer 7 die er een punt achter zetten. Kijk dan eens naar de belangrijkste reden waarom die huwelijken strandden: ‘uit elkaar gegroeid’ staat met stip op 1.

Dat brengt jongeren in de war: zes op de tien Nederlandse jongeren stellen zich vandaag vragen bij de zin en onzin van monogamie. Tegelijkertijd koestert driekwart van hen de hoop op liefde voor het leven. We snappen het niet: we kijken porno, we vrijen met onszelf, voelen ons wel eens aangetrokken tot een collega of kennis, worden wel eens verliefd op een anders en komen misschien wel in een sleur terecht. Toch houden we ons weliswaar – meestal strikt aan één partner.

Net daarom is het van belang dat we de roze bril, die ons in onze jeugd leert hoe relaties werken, afzetten. In plaats van zorg te dragen voor ons oerinstinct door eerlijk te zijn dat relaties geen koud kunstje zijn, leren we in de relatieacademie van de jeugd – de sprookjes – keer na keer dat de personages na tal van problemen en epische dilemma’s de prins op het witte paard treffen, waarna ze lang en gelukkig zullen leven, tot de dood hen scheidt. Alsof de hemel vanaf dan eeuwig blauw kleurt.

Sprookjes bestaan niet. Er zijn meerdere prinsen en prinsessen met witte paarden. We komen er echt niet van af met de leuze ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’. Monogamie is geen garantie voor een geslaagd leven. Als je daar toch aan vasthoudt, loert de teleurstelling om de hoek. De verliefdheid zal wegvallen na het broedseizoen. Laten we realistisch omgaan met liefde en relaties.

Wim Slabbinck. Foto: Annelies Vanhove

Het beest in ons in de relatie brengen

Routine kan dodelijk zijn voor een relatie. Ik zie al te vaak koppels die maar blijven aanmodderen in het web van de monotonie. We luisteren te weinig naar de bonobo in ons. Het wordt stilaan tijd dat we ons als individu emanciperen in onze relatie. Nee, ik breek geen lans voor overspel. Ik pleit voor openheid en partnertrouw.

Trouw is een hoeksteen van elke relatie, maar hoe definieer je dat begrip? Doorbreek je de trouw als je met iemand anders vrijt? Niet noodzakelijk. Trouw zijn aan je partner betekent dat je open en eerlijk bent over wat je doet, dat je niets verbergt, dat hij of zij je onvoorwaardelijk kan vertrouwen. Stel: je zit in een open relatie, maar houdt je buitenechtelijke seksleven verborgen voor je partner. Ben je dan trouw? Nee, dat is onethisch, ontrouw, overspel. Geslaagde open relaties herken je aan de toestemming en de openheid over je seksleven buiten je relatie. Partnertrouw is niet noodzakelijk verbonden met seks in de relatie.

“Met een weloverwogen open relatie is niets mis, al zijn veel mensen er bang voor.”

Als je open bent over de verlangens die je hebt, dan kunnen jij en je partner in dialoog een overwogen beslissing nemen. Open zijn voor alternatieven is belangrijk in een relatie. Het betekent dat je nadenkt hoe je relatie kan blijven werken, zonder ontrouw te zijn aan je partner. En we zijn over zo goed als alle andere onderwerpen in de relatie open, waarom zouden we het dan niet zijn over seks?

Het probleem ligt niet noodzakelijk in het type van de relatie, het probleem is dat we al te vaak niet overwegen om samen een bewuste keuze te maken welk type relatie we kiezen. Het probleem is dat we al te vaak verkiezen om niet oprecht te zijn omdat we bang zijn om onze partner pijn te doen. Een paradoxale redenering. Dan groeien mensen weleens uit elkaar. Ga dus het gesprek aan met je geliefde. Als je na een goed gesprek beslist om monogaam te blijven, dan is dat een goede keuze. Als je kiest voor een open relatie: even goed. En natuurlijk kun je na zo’n gesprek met twijfels blijven zitten, dat is normaal. Twijfels hebben we allemaal. Als je het onderwerp aansnijdt, toon je dat je zorg draagt voor elkaar en elkaars verlangens. Bovendien hoor ik van veel koppels dat hun zin in seks met anderen vermindert nadat ze erover hebben gesproken. Praten helpt.

Met een weloverwogen open relatie is niets mis, al zijn veel mensen er bang voor. We zijn bang om onze geliefde te verliezen. Een begrijpelijke bedenking, maar ook in een monogame relatie kun je je partner kwijtspelen. In zo’n relatie heb je met één iemand seks, maar wordt de scheve schaats een verboden vrucht. En die smaakt het zoetst, vraag maar aan Adam en Eva. De kans dat overspel en bedrog de kop opsteken, groeit.

“Laat ons praten over (on)bewuste verlangens, laat ons stoppen met emotioneel te constiperen.”

Wie toch toegeeft aan die verboden vrucht voelt zich nadien vaak heel erg rot. Hij (of zij) is teleurgesteld in zichzelf, maar durft het bedrog meestal niet op te biechten. Hij verbergt de leugen en bedriegt zijn partner én zichzelf. Een deel van hem valt plots volledig buiten de relatie. Het bedrog ligt op de maag en de leugen wordt soms ondraaglijk zwaar. Het is voor velen een reden om een punt achter de relatie te zetten, zonder ook maar te praten over het bedrog. Dat is geen goed idee. Overspel betekent niet noodzakelijk dat een relatie niet meer werkt. Het toont alleen dat het nodig is om eraan te werken. Er zit nu eenmaal een beest in ons verscholen, of je dat nu wilt of niet. Geef het een plaats in je relatie, emancipeer het. Zoek het evenwicht tussen wat het beest je vertelt en wat je relatie van je verlangt.

De mens heeft geen natuurlijke, afgelijnde seksuele voorkeur. Niet op het vlak van geslacht, relatietype of aantal partners. Er is geen eenduidig sjabloon voor iedereen. Misschien is een monogame relatie voor jullie niet de beste oplossing. Of kijk je er binnen een paar jaar anders tegenaan. Mensen veranderen nu eenmaal. Laat ons het keurslijf van de victoriaanse samenleving afschudden en ook relationeel emanciperen. Want, zoals de Britse journalist Tauriq Moosa het in het onlinemagazine Big Think omschreef: als het aankomt op verlangens bespreken, dragen we allemaal een emotionele boerka. Laat ons daar knopen in doorhakken, laat ons praten over (on)bewuste verlangens, laat ons stoppen met emotioneel te constiperen en hypocriet te zijn.

Tips voor relatietrips

Als je kiest voor een open relatie, betekent dat niet per se dat alles mag. Belangrijk is dat je sterk verbonden blijft met je partner. Zet dus samen de bakens uit, bespreek wat wel en niet mag. Gaat het alleen over seks? Of mag je met een andere sekspartner ook uit eten? Kan dat, intiem én emotioneel zijn? Daar bestaat geen vast recept voor. Heb je een relatie en wil je die behouden, maak dan dat jullie relatie de zon is waar andere relaties, in welke vorm dan ook, omheen draaien. Jullie tweeën zijn de kern. Zijn er kometen, die soms dichtbij komen en dan weer veraf zijn? Zijn er losse flodders, die het zonnestelsel binnenkomen en er even snel weer uitvliegen? Of zijn er vaste planeten, die op een vaste afstand van jullie blijven? In elk geval: als de aantrekking tot een andere relatie te groot wordt, kan het stelsel in de war raken.

Het is ook belangrijk om met de losse (seks)partners alles goed af te lijnen. Ook zij moeten weten welke limieten je hebt. Laat die ander weten dat bijvoorbeeld seks jullie enige verbinding is. Net zoals je met een vriend uit eten gaat en het daarbij houdt, kun je evengoed een seksuele relatie hebben met een derde zonder dat het je kernrelatie hoeft aan te tasten. Zo kan hij of zij bewust kiezen om er al dan niet in mee te gaan.

“Partners die elkaar vertrouwen, zijn vaak blij dat hun geliefde zich ook seksueel kan ontplooien.”

Wat dan met het jaloezievraagstuk? Gaan open relaties daar niet aan ten onder? De praktijk leert ons van niet. Polyamoureuze culturen kennen vaak geen woord voor jaloezie. Mochten bonobo’s kunnen praten, ze zouden het ook niet kennen. Als zo’n open relatie is gestoeld op toestemming, openheid en vertrouwen, zie je weinig tot geen rivaliteit ontstaan. Partners die elkaar vertrouwen, zijn vaak blij dat hun geliefde zich ook seksueel kan ontplooien. Beslissingsvrijheid geven om het (seksueel) geluk zelf te bepalen is een teken van een stevige relatie.

Het is niet makkelijk om daarover het gesprek aan te gaan, maar het is minstens even lastig om het beest in ons weg te duwen. Met een open relatie moet je niet beter willen doen dan monogame koppels. Het gaat om aandacht geven aan jezelf, de ander en dat bespreekbaar maken. Het gaat over oprechtheid. En voor alle duidelijkheid: polyamorie leidt niet rechtstreeks naar een gelukkig (seks)leven. Het is in ons drukke leventje niet evident. Want tenslotte moeten we onze job nog doen, moet het huis worden gepoetst en moeten de kinderen van de muziekschool worden gehaald…

Emanciperen in je relatie

Een open relatie kan dus een oplossing zijn, al is het niet voor iedereen weggelegd. Net zoals het monogamieschoentje niet iedereen past. Er zijn nog genoeg andere manieren om je relatie te emanciperen. Zo kun je proberen om meer spanning, vernieuwing en variatie in je seksleven te brengen. Wie in een lange relatie de vlam voedt, blijft intensere gevoelens koesteren voor zijn partner. Vernieuwing werkt, daar zijn we gevoelig voor.

“Het beest in ons verschilt van persoon tot persoon.”

Een open relatie of meer experiment kan je relatie een nieuwe boost geven, al zijn er nog opties. Net méér fysieke afstand in je relatie inbouwen, bijvoorbeeld. In lange relaties heb je vaak minder behoefte om constant samen te zijn. Toch slijten vele koppels hele avonden samen in de zetel, terwijl ze vaak niet in verbinding zijn. Let op: er is niets mis met af en toe de couch potato uit te hangen, maar overdrijf er niet mee. Je vrienden- en kennissenkring kan erbij inschieten, terwijl het net belangrijk is om vriendschappen te onderhouden of om aan sport en cultuur te doen met anderen. Dat is een fijne afwisseling voor de veilige thuishaven. Verbind met vrienden en familie om bepaalde aspecten van jezelf te realiseren. Een droompartner bestaat niet, je hoeft dus niet te verwachten dat iemand al je verlangens kan bevredigen.

Partners die te veel in elkaar verstrikt raken, verliezen soms hun afzonderlijke identiteit. Ze hebben een gedeeld e-mailadres, een gedeelde Facebook-pagina en een gedeeld leven. Ze kunnen bijna niet meer apart functioneren. Dat noemen we een symbiotische relatie. Ze evolueren naar het platwormpje waarover je in het begin van dit hoofdstuk las: ze gaan op in elkaar, tot de dood hen scheidt.

“Koppels kunnen op verschillende manieren samenleven. Je kiest samen de spelregels van je relatie.”

Als jij en je partner alle vrije tijd samen doorbrengen, maar dat niet (altijd) fijn vinden, zit je mogelijk met een probleem. Als je geliefde constant in je nek hijgt, verlies je vaak je vaak het verlangen naar hem of haar. Vergelijk het met een auto of smartphone: als die nieuw is, vinden we dat opwindend. Als je die als vanzelfsprekend neemt, wen je eraan. Het verrast vaak niet meer.

Dat fysieke afstand werkt, is logisch. Het doorbreekt de gewoonte. Schaarste creëert nu eenmaal verlangen. Zet je eigen identiteit weer voorop, kom op voor je mening, maak tijd en ruimte voor jezelf. Zo zal je mogelijk weer meer verlangen naar je partner. Jezelf blijven ontwikkelen werkt, al mag de slinger niet doorzwaaien naar de andere kant. Als je alleen maar op café hangt met vrienden of elke avond intensief gaat sporten zal de band met je partner eronder lijden. De fysieke afstand mag wat groter, maar de emotionele band mag er niet bij inschieten.

Er zijn dus alternatieven voor de monogame relatie, koppels kunnen op verschillende manieren samenleven. Al heeft elk systeem zijn plus- en minpunten. Het allerbelangrijkste is dat je er open over kunt praten. Maak van monogamie, of een andere relatievorm, een bewuste keuze. Mokken om wat niet mag heeft weinig zin. Je kiest samen de spelregels van je relatie. Kom op voor jezelf, emancipeer in je relatie. Probeer het beest in je te bevrijden.

Deze longread is een hoofdstuk uit het boek Waarom mannen geen seksboeken kopen, verschenen bij Manteau. Koop het via deze link.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Zonder jou, geen Charlie

We hebben jou nodig om ons magazine te blijven maken. Kom dus bij de club en krijg:

  • 2 bookzines ((nr. 6 najaar 2017 + nr. 7 voorjaar 2018)
  • Charlie goodies
  • toegang tot alle online artikels

Zonder jou, geen Charlie!

Er is meer dan ooit nood aan eerlijke verhalen en het geloof dat we dingen kunnen veranderen. Hell yeah. Word een Charlie en maak ons magazine mee mogelijk.

Ik word lid!