Dertig dagen keihard klagen

Dagen zonder vlees, Tournée Minérale, #leefzonderfilter… Allemaal uitstekende initiatieven om onze samenleving aan het handje te nemen en kennis te laten maken met gezondere keuzes. Ik vind het best: als je er blij van wordt moet je zeker meedoen. Maar dan is er ineens ‘30 dagen zonder klagen’.

Ik zie deze titel staan op mijn Facebook wall, terwijl ik bezig ben aan mijn ochtend-scroll-routine. Ik heb de kunst van het scrollen geperfectioneerd, wat betekent dat ik elke ochtend een half uurtje in een kalm tempo gezellig slide van feestje, naar selfie, naar Netflix tips en even blijf hangen bij filmpjes van springende geitjes. En omdat het eigenlijk altijd hetzelfde is, scroll ik op automatische piloot, in een flow waar een tweet van Trump me zelfs niet meer kan uithalen. Maar dan gebeurt het. Ik merk dat mijn vinger bevriest als ik de afbeelding zie, het lollige lettertype, de smileys eronder. Ik stel me een gezellig vriendengroepje voor dat het wel gehad heeft met de zuurpruimen in deze samenleving en dat dan op een middagje, zoals dat gaat met manifesten en bewegingen tegenwoordig, een Facebookpagina in elkaar draait. Een leuk logo, een hashtag en delen maar. Voor je het weet sta je daar met je initiatief, op m’n tijdlijn, tussen de nieuwjaarswensen en springende geitjes.

Ik scroll verder, deel wat thumbs up uit, hier en daar. Geef aan dat ik misschien ergens aanwezig zal zijn. En dan geef ik het op en zet mijn telefoon uit.

Meestal vergeet ik Facebook daarna voor een aantal uur. Dit zal vast iets te maken hebben met het feit dat ik een kind van de jaren 80 ben, en ik internet nog ken uit een tijd waarin pagina’s een half uur nodig hadden om te laden, en het dus niet associeer met iets wat je altijd op zak hebt. Alleen vandaag is het anders. Ik zet m’n telefoon weer aan.

30 dagen zonder klagen.

“Wat zouden ze daar eigenlijk mee bedoelen? Dat je niet mag zeggen; he getver, nou regent het alweer?”

Alsof mijn gedachten vastzitten in een cirkel, kom ik elke vijf minuten terug op dat zinnetje. 30 dagen zonder klagen. Wat zouden ze daar eigenlijk mee bedoelen? Dat je niet mag zeggen; he getver, nou regent het alweer? Of dat vroeger alles beter was? En dat die teenschimmel maar niet overgaat?

Want als ze dat bedoelen, dan kan ik me niet voorstellen dat we daar een sensibiliseringscampagne voor nodig hebben. En daarbij is praten over het weer vaak de enige manier om me verbonden te voelen met mijn medemens en kan ik mij voorstellen dat een teenschimmel knap lastig is.

Ik vraag het aan Bob, mijn chauffeur voor vandaag, omdat ik een voorstelling speel in Duitsland vanavond. Dit klinkt nu allemaal erg fancy, maar ik werk in de theatersector, wat betekent dat Bob een vrijwilliger is die in zijn vrije tijd graag acteurs rondrijdt. Hoe dan ook voel ik me vandaag buitengewoon VIP terwijl we aan 150 kilometer per uur in zijn Mercedes over de snelweg racen.

“Bob”, vraag ik, “we kennen elkaar nu toch al een minuut of 30, mag ik je een persoonlijke vraag stellen? Vind jij dat je iets te klagen hebt?”

Hij me verbaasd aan.

“Nee,” zegt hij, “Nee, niks te klagen.”

“Is er niets waar je niet tevreden over bent? Een politicus? Huizenmarkt? Vervelende buren?”

Bob is een vrolijke man die graag praat over vers gegrilde vis, witte wijn en Portugal. Kortom, niet de meest geschikte persoon voor dit onderwerp.

“Maar, is er niets waar je niet tevreden over bent? Een politicus? Huizenmarkt? Sokken die altijd met twee in de wasmachine gaan en er dan eenzaam en alleen weer uit komen? Iets waar je graag over zou willen klagen?”

“Nee, ik kan niet direct iets bedenken,” zegt hij.

Dan houden we een pitstop bij een tankstation waar ik hem trakteer op een slappe cappucino voor 3 euro 80.

Zouden ze dat dan bedoelen? Dat ik nu niet moet gaan lopen zeuren over dat het duur is?

“Lekker he,” zeg ik.

“Ja, maar dat mag ook wel voor €3,80,” moppert Bob.

We stappen weer in.

Ik probeer het nog eens.

“Geen gokschulden Bob? Gemiste kansen? Vervelende buren? De liefde? Is er niks waarvan je denkt, daar baal ik van?”

“Goh, niet meteen, nee,” zegt hij. “En jij?”

Ondanks dat deze vraag te verwachten was, komt hij als donderslag bij heldere hemel. Even denk ik erover het onderwerp te veranderen. Aan de andere kant ken ik Bob nu drie kwartier, en hoewel dat niet bepaald de meest solide basis is voor een gesprek over de duistere kant van het leven, besluit ik om hem een eerlijk antwoord te geven. Daarbij: we hebben al samen koffie gedronken. Als dat geen beginnende vriendschap is. Fuck it, denk ik bij mezelf. Here goes nothing.

“Ongemakkelijk kijken we voor ons uit naar de weg. Nog drie uur te gaan zegt de GPS.”

“Met mij gaat het best wel klote,” zeg ik. “Ik zou graag kinderen willen. Maar dat is niet echt aan het lukken. Het komt er eigenlijk op neer dat ik zeven keer een miskraam heb gehad in drie jaar tijd. Deze zomer de laatste. En ondanks alle testen en onderzoeken en trajecten weten ze niet hoe het komt, en gaan ze het ook niet weten. Ik heb pech, zeggen ze. Ja sorry, Bob, dat ik je daar nu zo mee overval. Maar het lukt me momenteel even niet om te zeggen dat alles prima met me is.”

Bob stamelt iets in de trant van dat het hem spijt. Ongemakkelijk kijken we voor ons uit naar de weg. Nog drie uur te gaan zegt de GPS.

Ik denk aan het ziekenhuis. Aan al die ochtenden dat ik samen met een stuk of twintig vrouwen in de wachtkamer heb zitten wachten. Vaak was het buiten nog donker. Iedereen gaat voor acht uur om geen vrij te hoeven vragen op het werk. We kijken elkaar niet aan, lezen de Flair en lopen met gebogen hoofd de spreekkamer in als onze naam te hard omgeroepen wordt. En het lijkt soms alsof we ons schamen. Al deze mooie, gezonde, maar toch ook een beetje mislukte vrouwen. Vrouwen die geen kinderen kunnen krijgen. Of toch niet zonder een hele reeks aan ingrepen en onderzoeken.

Ik denk aan de afgelopen drie jaar. Waarin ik mezelf zo goed mogelijk heb proberen navigeren door een storm van hoop en teleurstelling, adviezen van specialisten, diëten, yoga, acupunctuur, er juist niet aan denken, er juist wel aan denken, ovulatie-schema’s, vrienden die babys krijgen, labo’s, dokters, verplegers, stagairs, bloedprikken, bloedprikken door stagiairs, resultaten, liefde, leven en dood. En dat ik me daar die drie jaar zo eenzaam in heb gevoeld. Hoe vaak ik heb gedacht “had ik maar een gebroken been, helemaal in het gips, en dat mensen dan bloemen zouden meenemen, en boodschappen en soep. En dat ik dan ondanks alles gewoon mijn eigen leuke zelf was, grapjes makend, uitstekende pizza’s bakkend enzovoorts, maar wel met zo een heel onhandig been in het gips. En dat mensen dan hun naam in kleur op mijn been zouden schrijven, met hartjes erbij en veel liefs en sterkte.”

“Soms heb ik het idee dat we vergeten zijn hoe dat moet, ongelukkig zijn.”

Kortom dat het zichtbaar zou zijn. Dat mensen niet meer per ongeluk zouden vragen: en jij? Nog geen kinderwens? Dat mensen niet meer zomaar zouden zeggen dat je hoop moet hebben omdat ze iemand kennen die iemand kent, die iemand kende, bij wie het toch nog allemaal goed is gekomen. Dat mensen hun verhaal alleen lijken te vertellen als het uiteindelijk toch nog goed is gekomen. Dat ik me zo vaak heb afgevraagd waar al die andere vrouwen zijn, al die 1 op de 10 vrouwen die volgens de statistieken bestaan, die net zoals ik pech hebben. Bij wie het niks te maken heeft met hoop, of kracht, of toch nog goed komen. Maar bij wie het, als ik zo vrij mag zijn, een grote ellendige klotezooi is.

En ik begrijp ook wel dat een wachtkamer, een taxirit, of Facebook niet de meest geschikte plek is voor verdriet. Dat we ons natuurlijk sterk houden en de ideale versie van onszelf en ons leven laten zien. Dat doe ik ook. Maar soms heb ik het idee dat we door een constante input van vrolijke selfies, de niet-klagen-mentaliteit, het altijd de schone schijn ophouden, collectief ongemakkelijk worden van ons eigen ongeluk. Alsof we vergeten zijn hoe dat moet, ongelukkig zijn. Een beetje zoals een spier die je niet genoeg traint, en die dus onhandig en stijf wordt.

Ik zou het zo heerlijk vinden als mensen op Facebook lekker zouden klagen af en toe.

“Misschien voelen we ons na die 30 dagen klagen lekker opgeruimd. Of zelfs voldaan, zoals na het lopen van een halve marathon.”

Dat we in plaats van 30 dagen roepen hoe heerlijk het leven is, wat we het hele jaar door toch al doen, juist een maand lang keihard met z’n allen zouden gaan lopen zeiken. Lekker bij de pakken neerzitten. Klagen over dat het regent, dat de wereld vergaat, dat je aambeien hebt of iets wat daarop lijkt, waar ik dan een huilende smiley bij zou kunnen zetten omdat dat vast ellendig is. Klagen over de treinstaking, je burn out, het afbouwen van je anti-depressiva en hoe bang je daar misschien over bent. Over de audities die je niet gehaald hebt. Je 2-sterren-recensie. Je functioneringsgesprek. Klagen over de mensen die je mist, dat je dikke dijen hebt, een grote neus, over je midlife, dat je eenzaam bent, en dat de democratie naar de klote is. En dat we ons dan na die 30 dagen allemaal lekker opgeruimd zouden voelen. Misschien zelfs voldaan, zoals na het lopen van een halve marathon. En dat de mensen van wie we houden dan een feestje zouden geven, ter ere van die 30 dagen klagen, en dat we dan samen champagne zouden drinken en dansen op de tafels.

“Misschien de liefde,” zegt Bob opeens. “Dat zou wel beter kunnen.”

Ik knik.

“Ja ,dat snap ik Bob,” zeg ik. “Liefde is echt goed, man.”

En dan kijken we weer voor ons uit. Nog twee uur snelweg en slappe koffie. En we glimlachen.

 

Suzanne Grotenhuis (32) verhuisde 14 jaar geleden van Amsterdam naar Antwerpen om te studeren aan het Herman Teirlinck Instituut. Na haar afstuderen werkte ze als actrice en theatermaker in Belgie en Nederland. Sinds vorig jaar is zij vast verbonden aan het Antwerpse theatergezelschap De Nwe Tijd. In 2012 maakte zij haar eerste solovoorstelling Zwarte Woud Forever die werd geselecteerd voor Circuit X en de Roel Verniers Prijs won. Vorig jaar trok ze in haar eentje een maand door de Australische woestijn en maakte er haar nieuwe solovoorstelling ON ICE over. Suzanne woont samen met haar man Alex, huisgenoot Farid en lapjeskat Matilda. Portret: Alexander Daems

 

Foto boven: Istock
4 reacties
  • Griet says:

    Ik had ook meteen dit gevoel bij deze campagne 😄
    Klagen doet zo veel deugd, het lucht op! En ik kan best wel positief zijn hoor. Maar klagen mag…

  • Sarah says:

    Bedankt voor dit prachtige stuk. Hartje.

  • nele says:

    Zo waar, helemaal waar!
    Mooi en eerlijk schrijven, ook over miserie en toch grappig gebleven. Bedankt hiervoor.
    !Fuck Fake!

  • Kim says:

    Ik doe mee !
    Dikke knuffel van een burn-out -lijder die toch iets positiefs zoekt in alle kleine dingen/dagen…
    Ik hoop voor jou dat je positief nieuws mag krijgen of op z’n minst mensen rond je hebt die het zich aantrekken. Zoals ik gelukkig wel heb.

    Sterkte en veel liefs ^^

Plaats zelf een reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Jaarabonnement

Zonder jou geen Charie!

Kom bij de club en krijg: 2 bookzines, Charlie goodies en toegang tot alle online artikels.

En het allerbelangrijkste: de wetenschap dat je bijdraagt aan een stem die nodig is.

Zonder jou, geen Charlie!

Er is meer dan ooit nood aan eerlijke verhalen en het geloof dat we dingen kunnen veranderen. Hell yeah. Word een Charlie en maak ons magazine mee mogelijk.

Ik word lid!

Colofon

  • Hoofdredactie Jozefien Daelemans
  • Chef redactie Selma Franssen
  • Marketing & partnerships Sophie Docx
  • Art Direction & fotografie Sarah van Looy Carmen de Vos Sandra Mermans
  • Design & code Birdseye design
Adres Redactie

LDV United
t.a.v. Charlie Magazine
Rijnkaai 100
2000 Antwerpen