Voorpublicatie

Wraakengel: vrouwen nemen revanche voor het geweld dat hen werd aangedaan

Wraakengel: vrouwen nemen revanche voor het geweld dat hen werd aangedaan

Esther heeft een problematische dochter, een afwezige echtgenoot, een saaie baan en een gigantisch geheim: elke confrontatie met agressie maakt bij haar een oerkracht los die haar bovenmenselijk sterk en onbevreesd maakt. Vrouwen kunnen haar inhuren om wraak te nemen op mannen die het verdienen; als Esther tenminste een oppas kan regelen. Ze heeft altijd gedacht dat ze de enige was met zulke krachten, tot ze het bestaan ontdekt van een organisatie die vrouwen opjaagt zoals zij. Esther staat voor de keuze: haar gezin beschermen of de waarheid achter haar krachten achterhalen. Lees hier het eerste hoofdstuk van Wraakengel, het jongste boek van Joost Vandecasteele.

‘Heeft iemand mijn sleutels gezien?’
Haar vraag lokte geen reactie uit, noch bij haar dochter, de achtjarige Lucy, noch bij haar zestienjarige babysitter. Elk staarden ze naar hun eigen scherm. Toen Esther de vraag herhaalde klonk er alleen een tweestemmig ontkennend gegrom.
Toen ze eindelijk de autosleutels in haar eigen jas had gevonden, begon de even panische zoektocht naar haar gps. En ze had al zo weinig tijd. Vooral nu er meerdere mannen bij waren betrokken. Het liefst had Esther nog een halfuur extra gehad voordat alle chaos en geweld zou losbarsten. Maar Lieselot de babysit was onverbiddelijk. Om tien uur zou haar vader voor de deur staan en dan moest Esther terug zijn.

De enige reden waarom ze met deze voorwaarden instemde, was omdat een avond zoals deze haar zolang is ontzegd. De vorige opdracht, nu drie weken geleden, moest ze annuleren. Ze probeerde toen nog op het laatste nippertje de ingehuurde puber af te bellen, maar hoorde aan de andere kant van haar deur het telefoongerinkel. Ze had geen andere keuze dan de zestienjarige binnen te laten en zelf te vertrekken, met geen enkel plan en niemand om mee af te spreken.
Toen ze eindelijk haar TomTom had gevonden lag ze al een kwartier achter op schema.
‘Lieselot, er is nog lasagne in de oven.’ Fluisterend voegde ze eraan toe dat er nog chips en cola verstopt zaten onder in de kast. ‘Achter de schoonmaakspullen.’
‘Toch geen paprikachips? Want daar hou ik niet van,’ zei de babysitter veel te luid.
‘Ik wel,’ juichte haar dochter en ze begon meteen alle kasten in de keuken open te trekken. Al na drie seconden trof ze de buit aan achter de ruitenreiniger.
‘Die zijn niet voor jou,’ zei Esther.
‘Maar ze lust geen paprika, zei ze!’ zei Lucy.
‘Dat is waar, dat heb ik gezegd,’ voegde de babysit er weinig behulpzaam aan toe.
‘En je had daarnet geen honger… laat maar, ik moet vertrekken. Lieselot, ik ben dus om tien uur terug, het kan iets later zijn, maar…’
‘Nee, tien uur. Anders ga ik nu al naar huis.’
‘Jaaa, mama blijft thuis.’
‘Nee, mama blijft niet thuis. Het is goed, ik ben om tien uur terug, beloofd.’
‘Maar ik wil dat jij voorleest,’ smeekte Lucy met haar mond die al bespikkeld was met oranje kruimels.
‘Lieselot kan ook heel goed voorlezen. Toch?’
Maar de babysit haalde haar schouders op en mompelde dat ze wel een strip zou kiezen.
‘Ik heb al iets klaargelegd op de bank,’ zei Esther tegen beter in toen ze het huis eindelijk verliet.

“Het laatste cijfer van het adres op het papiertje is volgens haar een zes. Om zeker te zijn krabt ze met haar nagel het opgedroogde bloed weg.”

Het laatste cijfer van het adres op het papiertje is volgens haar een zes. Om zeker te zijn krabt ze met haar nagel het opgedroogde bloed weg. Niet van haar, maar van de jongeman die ze meteen na de komst van Lieselot opzocht en heeft moeten overtuigen om zijn vrienden te verraden.
Als enige van het groepje studenten woonde hij nog thuis. Waar de rest zich verschool, wist ze niet. Het leek haar niet verstandig om als veertigjarige vrouw aan te bellen en aan zijn moeder te vragen of ze even naar zijn kamer mocht. Om vervolgens na veel geschreeuw en gescheld weer beneden afscheid te nemen en haar te complimenteren met de inrichting van haar huis.
‘Mooi interieur, mevrouw.’
Esther bleef wachten tot de jongen het ouderlijk huis verliet. Toen hij met de fiets naar de voetbaltraining vertrok, volgde ze hem op een onverdachte afstand met de auto. Ook al leken ze de enige twee wakkere wezens in de sluimerende woonwijken, ze schoot pas in actie toen hij een verlaten landweggetje in sloeg. Ze ging nijdig dicht naast hem rijden, haar gezicht afgedekt door de telefoon die ze tegen haar oor drukte. Haar zijspiegel tikte tegen zijn stuur, zodat hij bijna in de sloot kantelde. Met zijn vlakke hand klopte hij op het dak van de auto. Esther week uit zodat hij wel moest remmen om een aanrijding te voor komen. Hij begon te vloeken en te roepen. Het gif van zijn woede infecteerde Esther en in een mum van tijd kreeg ze hem op zijn knieën en verschafte hij haar de gewenste gegevens.

“Tegelijk met haar gegil vult Esthers lijf zich met een kracht die maar één doel heeft: hem meer pijn toebrengen dan hij haar.”

‘Nummer 146’, stond er duidelijk geschreven, na het verwijderen van de bloedvlek. Maar omdat de bewoners van deze straat ooit collectief hadden besloten om hun postbode te kwellen door nergens huisnummers te plaatsen, verliest Esther nog meer tijd bij het zoeken naar het juiste smalle rijtjeshuis. Een sticker met opengesperde vrouwenbenen rond de bel verraadt dat er zich binnen studenten bevinden.
Om geen argwaan bij toevallige passanten te wekken, prutst Esther wat onhandig met haar eigen sleutel in het slot. Wanneer ze zeker weet dat niemand haar in de gaten houdt, beukt ze ertegen met haar elleboog. Maar de deur geeft geen krimp.
Esther neemt een korte aanloop, haar schouder een stormram. De deur bezwijkt, zwaait open met een dreun als een paukenslag. De pezige man met zijn jeans in de hand komt op het lawaai af. Zijn lijf is bedekt met moedervlekken, alsof een boze heks ooit boven zijn wieg nieste en hem met haar zwarte snot vervloekte.
‘Is dit nummer 146?’
Het antwoord op haar vraag is een klap in het gezicht. Tegelijk met haar gegil vult Esthers lijf zich met een kracht die maar één doel heeft: hem meer pijn toebrengen dan hij haar. Nog voorovergebogen spant ze haar hand tot een versteende vuist. Sneller dan het oog registreren kan, treft ze hem in de zij met een stoot die hem de adem beneemt. Een tel later volgt een slag in de maag, grienend smelt hij tot op de grond.
Maar Esther is nog niet klaar met hem, ze heeft heel specifieke instructies gekregen. Ze rukt zijn handen weg van zijn kruis dat hij angstvallig probeert te beschermen, het laatste bastion van zijn mannelijkheid. Ze negeert zijn snikkende smeekbede en met een welgemikte trap verbrijzelt ze wat nog van hem over was.

“Zo was het haar opgevallen dat hij in plaats van ‘Ik hou van jou’ vaker ‘Ik zie je graag’ gebruikte.”

Nog drie kwartier en nog twee mannen te gaan. In elk geval minstens twee. Esther haast zich naar boven, waar alle deuren dicht zijn en geen levende ziel te bekennen is. Ze houdt haar adem in om de kleinste storing in de stilte te kunnen opvangen. Op dat moment verbreekt het trillen van haar smartphone de diepe concentratie.
Misschien is het de babysit, denkt Esther. Misschien is er iets met Lucy of is ze vergeten waar de cola verstopt is. Haar overpeinzingen dempen haar kracht tot die weinig meer is dan wat nerveus gerommel in haar buik.
Als ze de telefoon checkt ziet ze dat het Simon is. Het zal nog later worden dan hij al dacht.
‘Dus je hoeft niet op te blijven voor mij. X.’
Vooral die x op het einde ergert haar, na tien jaar samen verdient ze iets meer dan een medeklinker. Maar hun huwelijk voelt sowieso al geruime tijd als een overeenkomst tussen twee volwassen huisgenoten met een gedeelde lening en een kind, en af en toe dronken seks. Misschien is dat na een decennium samen het hoogst haalbare, maar Esther betrapte zich er de laatste tijd op dat ze overdag gespreksonderwerpen begon te noteren om die ’s avonds te gebruiken wanneer Simon eens op een redelijk uur thuiskwam en naast haar op de bank plofte. Om vervolgens ’s nachts die schaarse conversaties te analyseren en tot ’s ochtends te liggen piekeren over een detail. Zo was het haar opgevallen dat hij in plaats van ‘Ik hou van jou’ vaker ‘Ik zie je graag’ gebruikte. Het eerste een waarachtige verklaring van liefde aan de ware, het tweede een wegwerpantwoord op een vervelende vraag.

Portret Joost Vandecasteele: Geertje De Waegeneer

Nadat ze de app heeft beantwoord – inclusief een extra medeklinker – hoort Esther naast haar een zacht gekraak. Een deur opent zich op een kier, net ver genoeg om een half gezicht te zien. Hoewel haar kracht nog te gering is om op te vertrouwen, rent ze op de deur af, werpt zich in de kamer en stoot zo een gezette jongeman omver. De kamer ruikt naar verschaald bier en volgespoten zakdoekjes, met daarbovenop nog de knisperende stank van veel te veel goedkope deodorant. De student blijft op de grond liggen, met zijn handen voor zijn gezicht. Zijn verslagen houding verzwakte haar nog meer. Ze moet hem kwaad zien te krijgen en snel, voor haar kracht volledig vervaagt en plaatsmaakt voor angst.
Esther tikte met de punt van haar schoen tegen zijn vingers. De jongen krimpt nog verder ineen.

“Ze moet hem kwaad zien te krijgen en snel, voor haar kracht volledig vervaagt en plaatsmaakt voor angst.”

‘Sorry, ik zal het nooit meer doen,’ piept hij.
‘Geen sorry zeggen,’ zegt Esther.
‘Oke, het spijt me.’
‘Dat bedoel ik niet. Je moet mij uitschelden. Je mag zelf kiezen hoe. Noem mij een trut of een hoer. Slet is ook goed. Je mag zelfs combinaties maken. Het maakt niet uit. Kies gewoon een belediging. Je kent er meer dan ik.’
‘Wat?’
‘Wat is geen belediging. Idioot. Dat wel. Snap je het verschil nu?’
‘Maar ik wil niet,’ snikt hij en hij rolt als een egeltje in elkaar.
‘Je hoeft niet te roepen, je mag ook fluisteren, je mag slaan. Maar doe iets, word kwaad op mij.’
‘Ik weet niet waarom. Ik heb niks misdaan.’
‘Niet liegen. Je weet heel goed wat jij… wat jullie gedaan hebben.’
‘Nee, echt niet. Ik zweer het. Ik ben onschuldig.’
‘Meen je dat? Ben je echt zo laf? Eerst verkrachten jullie godverdomme met zijn allen een vrouw en dan durf je dat niet eens toe te geven?’
‘Wat? Nee… wacht. Dat is niet waar. We hebben haar niet verkracht. Het liep gewoon uit de hand, zij was dronken, wij ook. Ze zei ook niks, toen we… dus… ze liegt, echt waar, zij zei iets anders.’
‘Wat? Wat zei ze?’
‘Ik… ik weet het niet meer.’
‘Zei ze soms dat jullie alles mochten filmen? Zei ze dat?’
‘Nee…’
‘Zei ze dat jullie haar daarmee mochten chanteren? Zei ze dat ook?’
‘Nee… Maar daar was ik ook tegen. Dat was niet mijn idee.’
‘Van wie dan wel?’
‘Dat was mijn idee.’
De derde man die plotseling achter Esther is opgedoken mept haar meteen, hard en gemeen. Esthers kracht ontwaakt weer in volle glorie – geen pijn, geen angst, niks weerhoudt Esther nu om deze opdracht af te handelen.

“Esthers kracht ontwaakt weer in volle glorie – geen pijn, geen angst.”

Met haar elleboog slaat ze hem in de mond, met zo’n snelheid dat zijn tanden verbrijzelen tot scherpe stompjes. In een vloeiende beweging draait ze zich om haar as, en treft hem met haar rechtervuist precies op dezelfde plek. Als een berenval klappen zijn kaken dicht en boort zijn kapotte gebit zich in haar huid. Muurvast zit ze. Elke poging om zich los te rukken, maakt het alleen maar erger.
De man op de grond ziet Esthers benarde situatie als een kans om ook eens te slaan. Hij klautert overeind en bestookt haar met enkele ongecoördineerde klappen; het is eerder vervelend dan gevaarlijk.
Met haar linkerhand rond haar pols probeert Esther zich vrij te wrikken, maar haar pogingen doen het hoofd van de bijtende man hard tegen de muur bonken, waardoor zijn tanden zich nog dieper in haar pols dringen, tot hij eindelijk het bewustzijn verliest.
Esther grijpt hem bij zijn haren om zich uit zijn kaakklem te kunnen bevrijden. Intussen is de dikke man nu met zijn vlakke hand op de zijkant van haar borsten aan het slaan.
‘Laat hem los,’ krijst hij.
‘Dat probeer ik net,’ zegt Esther.
‘Wat?’
‘Ben je daar weer met je wat?’
‘… wat?’
Om van zijn repetitief gezeur af te zijn trapt ze tegen zijn in vet verpakte knie die meteen een kwartslag draait. Nadat hij nauwelijks een minuut rechtop heeft gestaan belandt hij weer op de grond. In zijn val grijpt hij Esther bij de enkel waardoor ze haar evenwicht verliest en door het gewicht van de andere man achterovervalt.
Door de harde klap op de vloer lost hij eindelijk zijn grip rond haar hand. Met haar voeten trapt Esther op het gezicht van de kerel, die haar enkel loslaat en als een opgeschrikt insect naar de hoek van de kamer kruipt.
Nu de twee laatste mannen zijn verslagen sijpelt haar kracht langzaam weg. De stekende pijn in haar knokkels maakt duidelijk dat ze minder kan incasseren en dat ze nu snel moet handelen. Met haar laatste krachten smijt ze de bewusteloze kerel tot bij zijn vriend op de grond. Als hij diens verwoeste mond ziet gilt hij het uit.
‘Waar is het filmpje?’ roept ze hard om boven het gekrijs uit te komen.
De man bedaart onmiddellijk. ‘Op zijn telefoon,’ zegt hij en hij wijst naar zijn kameraad.
‘En waar ligt die?’
Hij haalt zijn schouders op.
‘Bel hem, ik wil dat ding horen rinkelen.’

“Maar voordat je dat doet ga je eerst de politie bellen. Je zegt je naam, je adres en wat jullie hebben gedaan.”

De jongen grabbelt in zijn broekzak om zijn telefoon te pakken en algauw klinkt er uit de andere kamer een hijgerig hiphopdeuntje. Esther haast zich richting het geluid en vindt het toestel onder een stapel handboeken sociologie. Vervolgens hurkt ze neer bij de snikkende student.
‘Stop even met huilen, man. Luister en denk goed na voor je antwoordt. Als je maar een leugen vertelt, dan kom ik terug en wordt het nog erger. Begrijp je mij?’
‘Ja, ik begrijp het.’
‘Heel goed. Hebben jullie een kopie van dat filmpje?’
De man schudt zijn hoofd.
‘Zeker weten?’
Weer schudt hij het hoofd.
‘Hoezo nee? Je weet het niet zeker?’
‘Nee, jawel, ik bedoel dat er geen kopie is.’
‘Dan moest je knikken,’ zucht Esther.
Nu knikt de man zo driftig en gedwee dat het bijna aandoenlijk wordt. Esther staart naar zijn gezwollen gezicht, de verwondingen die hij nog een leven lang zal moeten dragen. Deze opwelling van medelijden is het teken dat ze nu echt moet vertrekken.
‘Het spijt me, mevrouw. Zo ben ik niet. Niet meer.’
Esther ziet hoe hij doodsbang haar blik probeert te ontwijken.
‘Gelooft u mij niet?’
‘Het is het beste als je alles eerst ontsmet. Anders gaat het ontsteken en zal het nog meer pijn doen. Maar voordat je dat doet ga je eerst de politie bellen. Je zegt je naam, je adres en wat jullie hebben gedaan. Het slachtoffer zal zich morgen melden bij een politiekantoor en aangifte tegen jullie doen met genoeg screenshots als bewijs. Ze heeft genoeg om jullie te laten vastzetten. Maar ze wilde jullie eerst laten boeten. En terecht. Ik ga pas weg als je klaar bent met bellen. Dan zal ik je geloven.’

Wraakengel door Joost Vandecasteele wordt uitgegeven door Lebowski Publishers. Charlie abonnees maken kans op een gratis exemplaar van en houden daarvoor best de ledennieuwsbrief van eind augustus in de gaten.

Schrijf je reactie

Lees verder in Mensen

Colofon

Adres Redactie

Toko Space t.a.v. Charlie Magazine
Statiestraat 139
2600 Antwerpen