“Ik dacht dat er niemand was die mij zou kunnen helpen”

“Ik dacht dat er niemand was die mij zou kunnen helpen”

“In de zwarte gemeenschap heerst nog een taboe rond psychische problemen en psychologische zorg”, meent Sabrine Ingabire. Om het taboe te doorbreken, laat ze vijf jongeren openhartig getuigen. Zoals Ange (19). “Na mijn zelfmoordbrief heb ik eindelijk over mijn problemen kunnen praten. Alles kwam los: een bevrijding.” Foto: Felicia Mukendi

“Ik heet Ange. Negentien jaar geleden ben ik in Burundi geboren, maar mijn ouders zijn van Rwandese afkomst. Ik heb een tijdje in Nederland gewoond, en nu zit ik in het zesde middelbaar in België.

Toen ik in Nederland woonde, werd ik meerdere keren seksueel misbruikt door vier mannen. Dat gebeurde tussen mijn derde en zesde. Op dat moment verdrong en ontkende ik het, omdat ik veel andere dingen had om me zorgen over te maken. Ik liet het mezelf niet toe om bij al mijn trauma’s stil te staan. Het leven moest en zou gewoon voortgaan.

Als ik er nu aan denk, besef ik dat ik me schaamde omdat ik niet normaal was. Ik had geen normaal gezin, geen normaal leven. Alle kindjes op school hadden twee witte ouders, ze waren niet arm, ze moesten geen cultuurshock ondergaan. Ik schaamde me dat ik zwart was in een witte wereld en omdat hun leven zo veel gemakkelijker was dan het mijne. Ik was al abnormaal, en wou niet nog abnormaler zijn door toe te geven dat ik misbruikt werd en depressief was.

Bovenop de schaamte haatte ik mezelf omdat het gebeurd was. Ik verdrong het en was in ontkenning. Ik denk dat ik het mezelf kwalijk nam. Maar niet alleen mezelf, ook mijn vader: hij was bijna heel mijn leven afwezig, en dat speelde een grote rol in mijn misbruik. Als hij een goede vader was geweest, waren heel veel van mijn traumatische ervaringen niet gebeurd. De eerste keer dat ik misbruikt werd, bijvoorbeeld, was door onze babysitter, omdat mijn moeder moest gaan werken en mijn vader er niet was.

“In de buurtschool werd ik gepest om mijn accent, mijn gewicht, mijn huidskleur”

Ik had toen geen tijd om daarop te focussen, omdat ik  gepest werd. Op mijn eerste school in Nederland, waren er maar drie of vier zwarte mensen. Ik had geen enkele vrienden, ik was ‘anders’. Maar ik was toen te klein om te beseffen dat het met ras te maken had. Ik was gewoon altijd alleen, en ik voelde me heel erg eenzaam.

Maar ook buiten school werd ik gepest. Hoewel ik in een heel multiculturele wijk opgroeide, moest ik ook daar racisme ondergaan. Er waren jongeren van Turkse afkomst die me na school uitscholden, omdat ik zwart was. Ik vond het toen wel erg, maar het gebeurde maar af en toe, dus trok ik het me niet aan.

Toen ik negen was, zijn we naar een andere plek verhuisd. Daar ontmoette mijn moeder een gewelddadige man. In het begin alleen verbaal, ze vond het niet erg genoeg om te vertrekken. Maar later werd het geweld ook lichamelijk. Daarom zijn we naar België vertrokken.

In Vlaanderen ging ik naar een buurtschool, met weinig diversiteit. Daar werd ik heel zwaar gepest: ze lachten om mijn accent, om mijn gewicht, om mijn huidskleur. Tijdens de les LO lachten ze me uit omdat ik al borsten had, omdat mijn regels vroeger waren begonnen. Ze maakten veel racistische moppen, maar omdat ik zo jong was, had ik niet echt door dat ze racistisch waren. Ik besefte wel dat ze kwetsend waren, maar kon niet goed zeggen waarom. Ze stelden onwetende vragen over Afrika op een spottende toon, vroegen hoe we daar douchten en of we daar tv hadden. En ik wist niet echt hoe ik het moest aanpakken.

De pesterijen, het racisme en de eenzaamheid werden me te veel, en ik begon me steeds vaker ziek te melden, omdat ik het niet aankon om naar school te gaan. Na een tijd had mijn moeder het  door. Ze sprak de leerkrachten daarover aan, maar die hebben er nooit iets aan gedaan…

Op mijn nieuwe school ging het beter. Ze was veel groter en ik had meer vrienden. Die beschermden mij als ik opmerkingen kreeg, waardoor die mij veel minder raakten. Maar het ging nog altijd niet goed met mij. Ik had mijn trauma’s niet verwerkt en voelde me nog steeds heel slecht. Ik had bovendien relationele problemen met mijn moeder, die zelf ook slecht in haar vel zat: ze slingerde me vaak erg kwetsende dingen naar het hoofd. Dat zorgde ervoor dat ik me nog slechter voelde, maar ik kon er met niemand over praten. Mijn moeder begreep het echt niet.

“Mijn mama nam mijn psychische problemen niet serieus, ik moest ophouden met klagen”

Ik begon  aan zelfverminking te doen, omdat ik geen andere oplossing zag. Het werd snel verslavend, maar ik wist niet wat ik anders kon doen om de psychische pijn te verlichten, dus bleef ik het doen. Ik vond het ontzettend moeilijk om hulp te zoeken of te aanvaarden: ik hielp zelf heel veel mensen, maar ik dacht niet dat iemand mij ooit zou kunnen begrijpen en helpen. Dat idee klopte ook wel, want toen mijn vrienden uiteindelijk doorhadden dat er iets mis met me was, hebben ze er nooit iets aan gedaan. Wanneer ze mijn verminkte arm zagen, vroegen ze wat ik had gedaan. Maar het was puur uit nieuwsgierigheid, niet uit bezorgdheid. Ik nam het hun wel heel erg kwalijk, omdat het de kans was om het te bespreken, en zij het gewoon negeerden. Zelf sprak ik hen niet aan over mijn problemen, omdat ik niet wilde dat ze die last zouden moeten dragen.

Mijn mama merkte op een dag dat ik aan zelfverminking deed, maar ze was daar heel erg in ontkenning over. De communicatie verliep nog steeds niet goed, en ze maakte zich boos omdat ik me niet tot haar had gewend met mijn zorgen. Ze voelde zich aangevallen, en nam het heel slecht op, in plaats van mij hulp en steun te bieden. Ze nam psychische stoornissen niet serieus. Telkens als ik er over praatte, herhaalde ze dat ik neven en nichten heb die in vluchtelingenkampen zitten. Ik moest dus maar ophouden met klagen. Dit is een groot probleem in de zwarte gemeenschap. Ik denk dat witte ouders mij wel hulp en steun zouden hebben geboden. In mijn gezin durfde ik niet te vragen voor begeleiding, omdat ik het mijn mama en stiefvader financieel niet kon aandoen. Ze betalen al zo veel voor mijn familie in Rwanda. En ik dacht dat er toch niemand was die mij zou kunnen helpen…

“Op kamp lukte het om erover te praten. Ik kreeg heel veel steun, en nu voel ik me al een pak beter”

Dat alles culmineerde in een zelfdodingsbrief op mijn zestien. Ik had er heel lang over nagedacht, en besloot het te doen. Maar mijn broer heeft mijn brief gevonden voor ik iets kon doen en heeft het uit mijn hoofd gepraat. Toen kwam alles los en heb ik eindelijk met iemand over mijn zorgen kunnen praten. Het was bevrijdend. Mijn thuissituatie verbeterde, omdat ik me beter begon te voelen, en beter met mijn mama kon praten. En omdat ik mezelf minder haatte, ben ik ook gestopt met zelfverminking.

Als ik nu terugdenk aan alles wat er gebeurd is, ben ik niet zozeer beschaamd, maar heb ik het gevoel dat ik in een film zit, en iemand anders haar leven aan het beleven ben. Vorig jaar op kamp lukte het me zelfs om een stukje van mijn verhaal te vertellen! Ik kreeg heel veel steun, en nu voel ik me een pak beter. De reden waarom ik hier nu wel over wil praten, is omdat ik hopelijk zo nog meer vrijheid zal vinden.

Ik ben depressief en soms haat ik mezelf nog steeds. Maar ik hoop dat ik dit nu kan accepteren, en de broodnodige hulp kan aanvaarden.”

Lees ook de reportage Taboe: psychische problemen bij zwarte jongeren
En de getuigenissen van deze jongeren:
Thomas: “Ik hoop dat ook donkeren jongeren hulp durven zoeken”
Elias: “Door HIV was ik helemaal anders dan de rest”
Blaise: “Ondanks de stabiliteit voel ik me vaak helemaal leeg”
Via Stamp Media
0 reacties

Plaats zelf een reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Zonder jou
geen Charlie!

We hebben jou nodig om ons magazine te blijven maken. Kom dus bij de club en krijg:

  • 2 bookzines (nr. 8: najaar 2018, nr. 9: voorjaar 2019)
  • Charlie goodies toegang tot alle online artikels
  • En het allerbelangrijkste: de wetenschap dat je bijdraagt aan een stem die nodig is.

Zonder jou, geen Charlie!

Er is meer dan ooit nood aan eerlijke verhalen en het geloof dat we dingen kunnen veranderen. Hell yeah. Word een Charlie en maak ons magazine mee mogelijk.

Ik word lid!

Colofon

  • Hoofdredactie Jozefien Daelemans
  • Chef redactie Selma Franssen
  • Marketing & partnerships Sophie Docx
  • Art Direction & fotografie Sarah van Looy Carmen de Vos Sandra Mermans
  • Design & code Birdseye design
Adres Redactie

LDV United
t.a.v. Charlie Magazine
Rijnkaai 100
2000 Antwerpen