Dochters zonder vader

Ik begin bij het einde. Mijn vader vocht niet tegen kanker als een leeuw, wat de mensen ook zeiden, hij danste ermee. Een Engelse wals was het, en erna was hij zo moe van al dat dansen dat hij even wou gaan liggen, maar hij vond de juiste houding niet.

Ik reed naar het ziekenhuis. Mijn vader lag te snurken zoals hij deed die ene nacht in Parijs, toen ik boos werd omdat ik daardoor niet kon slapen. Mijn zus en ik huilden in zijn kamer en keken naar elkaar in plaats van naar hem, want we wisten dat het gedaan was. Waar moesten we nog kijken? Ademen kon hij nog, maar leven niet meer. Mijn vriend wou niet binnenkomen, ik vond het oké. Levende mensen zijn toch veel mooier. Toen mijn vader stopte met snurken was ik al naar huis. Mijn zus belde me op. “Hij is gestorven.” Maar eigenlijk was hij die middag al dood.

Begrafenissen zijn duur, maar dat gaf niet. We hadden een beetje spaargeld, mijn zus en ik, en we zouden daarna toch meteen onze troostprijs krijgen: een vol huis om leeg te maken, en een dertigtal papieren om te ondertekenen waarna kleine, grote en middelmatige bedragen op onze rekeningnummers gestort zouden worden.

De mensen vroegen of alles goed was en ze zeiden domme dingen, maar ik vergaf het hen want niemand wist wat wél en wat niet gezegd mocht worden, behalve mijn zus en ik. Wij konden samen lachen om onbenullige dingen, en huilen om mooie dingen, en gewoon stil zijn. Gewoon stil en verdrietig en een beetje boos zijn op alles en iedereen, en nadenken over waar de honden en de kat moesten gaan wonen, en over waar hij ook alweer de sleutel van het tuinhuis had verstopt.

“Wij konden samen lachen om onbenullige dingen, en huilen om mooie dingen, en gewoon stil zijn.”

Mijn vader geloofde niet in God en wel in Jezus, maar alleen omdat er wetenschappelijk bewijs bestaat dat hij geleefd heeft. Hij geloofde in de Romeinen en de Grieken, en in dinosaurussen en in dingen die wij niet kunnen vatten maar de wetenschappers en de wiskunde wel. Ik lijk op hem.

We maakten het huis leeg en gooiden veel weg, maar hielden te veel bij; spullen waar we tevergeefs plekjes voor zochten op muren, in kistjes en in lades. Dingen voor garageverkopen en kringloopwinkels, ooit, maar nu nog even niet. Mijn zus kreeg mijn vaders Romeinse speld, en ik nam een gouden ringetje mee dat niet veel waarde had, maar dat hij had opgegraven met zijn metaaldetector en daarom toch belangrijk was.

Het voelde een tijdje alsof mijn vader op reis was, zoals toen hij nog snel – nu het nog kan – naar Noorwegen ging, en ik hem na twee weken weer zou terugzien. Maar ik kreeg geen kaartje en zijn rugzak en zijn koffer stonden leeg in de kast en wij kregen maar geld, en maar geld op onze rekening. In plaats van souvenirtjes.

Mijn vader zei altijd dat hij zou verhuizen naar Portugal als hij oud was. Ik begreep niet goed waarom Portugal en niet Italië of Spanje, maar hij zei dat het Portugal moest zijn. Ik ging naar Portugal en ik zag witte en pastelkleurige huisjes en hoorde fadomuziek en ademde de droge, warme lucht die naar koffie en taart en zon rook in, en toen begreep ik wel waarom Portugal. Portugal was niet zomaar een land waar het vaak mooi weer is, Portugal was waar mijn vader was in mijn gedachten, een spelletje schaak aan het spelen in Parque Eduardo VII, geen tijd om kaartjes te sturen naar zijn dochters in de regen.

“Portugal was niet zomaar een land waar het vaak mooi weer is, Portugal was waar mijn vader was in mijn gedachten.”

Ik ging naar een klein café in een kronkelweggetje waarvan ik de naam niet meer weet, en dronk veel te sterke koffie. De mensen waren anders daar. Ze keken me telkens aan alsof ze het allemaal wisten, en het allemaal zelf al hadden meegemaakt. Hun kleren waren kleurrijker en ze lachten meer en uitbundiger. Misschien waren het hun huizen. Misschien maakte het opgroeien in een blauw, of een roze of een geel huis met groene tegeltjes wel het verschil. Ik dacht na over hoe ik ooit naar Portugal wou verhuizen, en mijn huis helemaal wou versieren met tegels in alle kleuren en alle patroontjes, en een balkonnetje vol groen. Dat zou me blij maken, dacht ik. Dan zou de zon schijnen en zou ik een boek lezen tussen al mijn planten en al mijn kleuren, en dan zou ik gelukkig zijn.

In Alfama vond ik een man die schilderijen maakte met koffie en rode wijn. Zijn atelier was het mooiste en bouwvalligste gebouw dat ik ooit had gezien, en ik benijdde hem om zijn talent en zijn thuis. Ik kocht er een bladwijzer die later verkreukeld in een rommelige lade eindigde.

Op een zonnige dag in Bairro Alto liepen mijn vriend en ik door kronkelweggetjes, op zoek naar iets om te eten, toen ik hem plots zag. Hij had nog steeds een pet op, misschien om zijn kaalheid te verbergen, misschien om zijn hoofd tegen de zon te beschermen. Hij was minder bleek dan hij was geweest de voorbije jaren, en hij werkte in het keurig onderhouden tuintje van een geel huis met een groene deur. “Kijk”, zei ik. “Kijk naar die man daar, met dat petje op. Lijkt hij niet helemaal op mijn vader?”
“Ik weet het niet zo goed”, antwoordde mijn vriend, “maar ik heb hem natuurlijk niet gekend voor hij ziek werd.” Toen hij zwart haar en een snor had, dacht ik. Toen hij jong was en nog rookte en naar Pink Floyd luisterde op zijn kot in Leuven.
Daarna gingen we een kerk binnen waarvan ik me de naam niet meer herinner, maar die bezet was met lichtblauwe tegeltjes, en ik stak een kaarsje aan.

Die nacht slenterde ik door straten die overdag zwermen van toeristen omarmen, maar die nacht alleen mij. Het was draaglijk warm en behaaglijk donker. In sommige cafeetjes brandde nog licht en klonk nog gelach en geschreeuw over voetbal. Toen ik aan het gele huis van mijn vader kwam, zag het er anders uit zo zonder licht, niet meer geel en niet meer zo vrolijk. De zon maakte mijn vader en zijn huis blijer dan dat de maan dat deed. Door het enige raam op het gelijkvloers probeerde ik een glimp van hem op te vangen, maar ik zag alleen een vrouw aan een tafel zitten. Ze zat in het licht van een klein lampje, bladerde door de krant en dronk een espresso. Ze had zwarte krullen en droeg een kamerjas. Ze was niet heel jong, maar ze had iets jeugdigs. “Hopelijk maakt ze mijn vader blij”, dacht ik.

“We dansen en we zijn blij, en soms zelfs gelukkig. We zijn de dochters zonder vader.”

Ook in België is het soms alsof ik nog steeds door de straten en parken van Lissabon loop. Soms voel ik nog de kleuren op mijn huid en zie ik de felle warmte nog voor me. Als ik bloemen koop op de markt of als ik een croissant eet op de trapjes van de stadsbibliotheek. En vooral als ik denk aan hoe ik in Jezus geloof maar niet in God, want God bestaat toch helemaal niet. Als ik flauwe mopjes maak die hij ook had gemaakt, als ik ongelofelijke dingen weiger te geloven voor ik ze zie en als ik diep nadenk over stille en warme nachten en wat ze betekenen, dan huil ik van trots.

Soms twijfel ik of die man in Portugal wel mijn vader was, maar ik denk het wel. Misschien laat hij zijn snor weer groeien. Misschien groeien zijn wenkbrauwen en zijn wimpers weer terug. Misschien is het daarom dat hij er een beetje anders uitzag dan anders. Maar ik heb hem dan ook al lang niet meer gezien.

In september vertrek ik naar Portugal en ga ik op zoek naar mijn vader. Ik neem een kamer met uitzicht op het Parque Eduardo VII, waar mijn vader soms zit te schaken. Misschien zie ik hem, misschien niet. Maar ik voel aan de zon en ik zie aan de mensen op straat dat hij er is. Eerst blijf ik nog een paar maanden bij mijn zus, en proberen we een leeg huis met een tuin vol onkruid te verkopen. Het gaat goed met ons. We kunnen nog steeds huilen om een leeg aquarium of om een Noors boek, maar we zijn nog niet uitgewalst. We dansen en we zijn blij, en soms zelfs gelukkig. We zijn de dochters zonder vader.

0 reacties

Plaats zelf een reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe jouw reactie gegevens worden verwerkt.

Jaarabonnement

Zonder jou geen Charlie!

Kom bij de club en krijg: 2 bookzines, Charlie goodies en toegang tot alle online artikels.

En het allerbelangrijkste: de wetenschap dat je bijdraagt aan een stem die nodig is.

Zonder jou, geen Charlie!

Er is meer dan ooit nood aan eerlijke verhalen en het geloof dat we dingen kunnen veranderen. Hell yeah. Word een Charlie en maak ons magazine mee mogelijk.

Ik word lid!

Colofon

  • Hoofdredactie Jozefien Daelemans
  • Chef redactie Selma Franssen
  • Marketing & partnerships Sophie Docx
  • Art Direction & fotografie Sarah van Looy Carmen de Vos Sandra Mermans
  • Design & code Birdseye design
Adres Redactie

LDV United
t.a.v. Charlie Magazine
Rijnkaai 100
2000 Antwerpen