Getuigenis

Opgroeien met ouders met psychische problemen: Blackie legt de waarheid bloot

Opgroeien met ouders met psychische problemen: Blackie legt de waarheid bloot

De Oostendse Kathelijn Vervarcke schreef het boek ‘Tot de zon aan de horizon vriest’ met in de hoofdrol Lander en Chinouk, beide kinderen van moeders met een psychotische kwetsbaarheid. Inspiratie haalde Kathelijn uit haar eigen jeugd. Door naast het boek ook met haar eigen verhaal naar buiten te komen, hoopt ze een stem te geven aan de vele KOPP-kinderen (Kinderen van Ouders met Psychische Problemen) in Vlaanderen en Nederland, wiens stem in alle communicatie rond psychische problemen nog zelden gehoord wordt.

Ik ben geboren op de elfde dag van de legendarische hittegolf van 1976.  De wijn verdampte in de glazen, zo heet was het. Het verwonderde niemand dat mijn moeder na de bevalling ‘zwaar van de hitte gepakt was’. Nu zou men van een kraambedpsychose spreken.

Mijn hele leven dacht ik dat mijn moeder me Kathelijn genoemd had en niet Fabienne zoals gepland omdat ze tijdens haar weeën aan de gynaecoloog gevraagd had hoe zijn dochter heet. Die heette Kathelijn, beweerde mijn moeder. Dat betekende dus dat dit een veilige naam was, omdat de dokter deze naam ook gekozen had. Toen ik later lesgaf aan een kleinkind van deze gynaecoloog, vernam ik dat hij helemaal geen dochter met mijn naam heeft. Enkele maanden geleden vertelde een oom me dat ik naar de jongste zus van mijn oma Lieve vernoemd ben. Dat had mijn oma voorgesteld omdat haar jongste zus de vrolijkste van heel de familie was. Het is pas de laatste jaren dat ik besef dat mijn hele identiteit als tiener op psychotische verzinsels van mijn moeder gebouwd was.

“Pas de laatste jaren besef ik dat mijn hele identiteit als tiener op psychotische verzinsels van mijn moeder gebouwd was.”

Toen ik tien jaar was, haalden we een hond uit het asiel. Blackie, een zwarte straathond die geen haar meer had in de knieholtes van zijn poten. Ook onder zijn leden zaten wondjes en korstjes. In het asiel zei men dat hij nerveus was omdat hij opgesloten zat, maar dat het met zijn pels wel zou goed komen. Het beest liep de hele tijd achter zijn eigen staart aan. Enkele dagen later riepen we er een dierenarts bij die ons wist te vertellen dat Blackie aan schurft leed. Voor het eerst dacht ik te weten wat er aan de hand was met mijn moeder. Net zoals de hond krabde ze voortdurende de wondjes op haar kale hoofd open. Ze draaide de hele dag rond haar eigen as. Het kon niet anders of ze had dezelfde ziekte, maar dan in haar hoofd. Hersenschurft noemde ik het.

Twee jaar later vernam ik van de huisarts dat de medische naam voor hersenschurft schizofrenie is. In een verwoede poging om de stroom nota’s in mijn agenda wegens nooit met niets in orde droog te leggen, stapte ik naar mijn klastitularis en zei ik: “Mijn moeder heeft schizofrenie.” De leraar antwoordde: “Ik wist niet dat jij zulke moeilijke woorden kende.”

Na de scheiding van mijn vader hertrouwde mijn moeder met een man die het als een sociaal experiment zag om haar behandelingen te staken. Hij vond dat zotten ook recht op vrijheid hadden. Alleen was al zijn idealisme dode letter gezien hij gokverslaafd was en zijn maandloon er in één voormiddag doordraaide. Toch kon zij niet van hem loskomen omdat ze meende dat hij haar beschermde tegen de boze buitenwereld die haar wilde opsluiten. In werkelijkheid beschermde ik haar tegen die buitenwereld door bijvoorbeeld altijd de telefoon op nemen en haar gedrag goed te praten tegenover de mensen die er aanstoot aan namen. Later leerde ik uit de vakliteratuur dat dit ‘parentificatie’ heet. Het kind van de psychisch zieke ouder wordt de verzorger van de ouder en staat in voor zijn behoeftes.

“Ik stapte naar mijn klastitularis en zei: ‘Mijn moeder heeft schizofrenie.’ De leraar antwoordde: ‘Ik wist niet dat jij zulke moeilijke woorden kende.’”

De motor van parentificatie is culpabiliseren. Mijn moeder had de nare gewoonte om de schuld van haar ziekte bij mij te leggen. Zo herinner ik me nog scherp wat ze antwoordde telkens ik als klein kind vroeg waarom ze geen haar meer had: “Jij hebt mijn zwarte lokken afgepakt.” Altijd kroop zij in de slachtofferpositie. Het heeft lang geduurd voordat ik dat als een symptoom van haar ziekte kon herkennen. Zij kende het concept schuld namelijk niet. In haar perceptie was zij altijd het slachtoffer van de slechtheid van de anderen. Na heel wat lectuur over schizofrenie heb ik dat inzicht verworven. Deze kennis lijmt echter de scheuren in mijn versplinterde kinderhart niet.

Een van de beschermende reflexen die ik als KOPP-kind opgebouwd had, was de creatie van een pseudo-identiteit. Doordat het voor mij als tiener onhaalbaar was om uit de zakken kleren die we hier en daar kregen het vereiste blauwe schooluniform te halen, droeg ik vaak zwarte jurken. Meestal vond je tussen de afdankertjes wel een oudejaarskleedje dat niemand overdag droeg. Dan gaf ik me uit als rebel die het schooluniform bestreed. Ik heb vaak gerebelleerd om te maskeren dat ik niet mee kon. Een tijd geleden had ik een leerling met dyslexie. Telkens er een schrijfopdracht was, werd hij opstandig. Dat ging zelfs zover dat hij met stoelen gooide. Zodra hij moest schrijven, zorgde hij ervoor dat hij buiten gekegeld werd. Ik kon niet kwaad zijn op hem. Ik herkende het gedragspatroon, ook al was de oorzaak compleet verschillend. Je wordt liever voor je gedrag gestraft dan voor de zwakheden waaraan je niets kunt doen.

Kathelijn Vervarcke

Die pseudo-identiteit kun je nog wel van je afgooien. Veel moeilijker is etiketten af te krabben die anderen op je ziel geplakt hebben. Al van in de lagere school kreeg ik het etiket ‘slordig’. Steeds maar hetzelfde woord. Overal. Luidop in de klas. In de agenda. Op het rapport. Het is in dat verwijt dat ik de roeping voor het leraarschap gevonden heb. Ik was niet slordig. Een kleuter kan niet slordig zijn. Die is verwaarloosd. Ik snapte vrij vroeg dat ‘slordig’ een synoniem was voor verwaarlozing en dat het helemaal buiten mijn macht lag om daar iets aan te veranderen. Ik vond het zo onrechtvaardig dat ik steeds maar het verwijt kreeg van slordig te zijn terwijl ik het toch echt niet kon helpen dat ik met een plastieken zakje naar school kwam. Gelukkig heeft Kurt Cobain mij gered.  Toen de grunge opkwam vond iedereen mij onvoorstelbaar cool met mijn afgedragen slobbertrui. Enkele van mijn medeleerlingen namen zelfs mijn gewoonte om boeken te kaften met reclameblaadjes over. Ik verdronk volledig in deze pseudo-identiteit.

“Als KOPP-kind had ik vaak het gevoel dat ik onzichtbaar was. Steeds maar kreeg ik de vraag: ‘Hoe gaat het met je moeder?’”

Als KOPP-kind had ik vaak het gevoel dat ik onzichtbaar was. Steeds maar kreeg ik de vraag: “Hoe gaat het met je moeder?”. Nooit vroeg iemand ooit hoe het met mij was. Toen mijn grootmoeder in het jaar 2000 overleed, keek ik erg uit naar haar begrafenis. Door de echtscheiding van mijn ouders was ik van deze kant van de familie vervreemd. In mijn hoofd had ik tijdens de weken palliatieve zorg voor mijn grootmoeder, een gigantische uitvergroting gemaakt van hoe mijn familie mij zou onthalen. Ik kreeg echter maar één vraag van de zussen van mijn grootmoeder: “Hoe is het met je mama?”

Mijn ervaring als KOPP-kind heeft mij geïnspireerd om het boek Tot de zon aan de horizon vriest te schrijven. Ik ben het hoofdpersonage Chinouk niet, maar alleen ik zou haar zo kunnen geschreven hebben. Ik heb wel wat langer dan Chinouk op mijn Lander moeten wachten. Ik voel mij erg gedreven om een stem te geven aan de mensen die geen stem hebben.  In dit boek heb ik de problematiek van kinderen met een ouder met psychotische kwetsbaarheid helder verpakt in een liefdesverhaal. Tot de zon aan de horizon vriest is een roman over de moeilijkheid om een gezonde relatie op te bouwen met een partner wanneer je zelf een problematische verhouding met je ouders hebt.

Het boek raakt een actuele discussie in de gezondheidszorg aan. Is het beter om mensen met ongeneeslijke psychische problemen permanent in een instelling op te nemen of is het beter om hen en hun omgeving met de stoornis te leren omgaan zodat ze er thuis mee kunnen leven?  Hoewel hun perspectief in het debat compleet ontbreekt, is er niemand beter geplaatst dan de jong volwassen kinderen van mensen met psychische problemen om deze vraag te beantwoorden. Precies daarom schrijf ik hun verhaal.

 

Tot de zon aan de horizon vriest is uitgegeven bij Van Halewyck

Schrijf je reactie

3 reacties

Charlie geeft regelmatig het woord aan mensen die - net als wij - geen blad voor de mond nemen.

Lees verder in Mensen

Colofon

Adres Redactie

Toko Space t.a.v. Charlie Magazine
Statiestraat 139
2600 Antwerpen