column

Waarom ik dit jaar niks in de solden koop

In juli en augustus wisselen hoofdredactrice Jozefien Daelemans en chef redactie Anouk Torbeyns elkaar wekelijks af in een nieuwe reeks zomercolumns. Jozefien bijt de spits af.

“Ik heb geen zin om dit jaar naar de solden te gaan”, zeg ik tegen mijn collega, terwijl we in de broodjeszaak om de hoek van onze redactie wachten. “Om ecologische redenen?”, vraagt ze. “Of omdat je het niet leuk vindt?”

Ik denk even na. De deugdpronker in mezelf wil zeggen: “Ik koop geen kleren meer die door kinderhanden gemaakt zijn! Is dat niet flink van mij?” Het is maar een klein beetje waar: als ik tegenwoordig iets koop, probeer ik er wel op te letten waar en hoe het gemaakt is. Ik heb te veel beelden gezien van de erbarmelijke omstandigheden waarin de mensen, die onze kleren maken, leven en werken om nog complexloos te kunnen gaan shoppen in H&M of Zara.

Maar ik moet mezelf niets wijsmaken. Ik ben niet heiliger dan de paus. De kleren die ik voor mijn kinderen koop, komen gewoon van Hema of een andere grote keten. En wat mijn ondergoed, schoenen, jas en zowat alle accessoires betreft, kies ik vooral op kwaliteit en pasvorm. Het is ook een hele zoektocht om te achterhalen wat fair wear is en wat niet. Bovendien moet je het ook nog kunnen betalen allemaal.

“Als vrouw hoor je te houden van ‘shoppeuh shoppeuh shoppeuh’, maar ik word er vaak vrij ongelukkig van.”

“Omdat ik het niet leuk vind”, zeg ik dus. Want dat is wel helemaal waar. Op een mooie zomerdag naar de Meir trekken, me een weg door de massa te banen en in de winkel als een malle tussen de rekken beginnen te graaien, geeft me geen warm gevoel in mijn buik. Als vrouw hoor je te houden van ‘shoppeuh shoppeuh shoppeuh’ – dat is toch wat de meeste vrouwenbladen je wijsmaken – maar ik word er vaak vrij ongelukkig van, zeker in de soldenperiode.

Een winkel tijdens de solden is een slagveld. Overal liggen hopen kleren omdat mensen te manisch zijn om wat ze gepast hebben netjes terug te leggen. In de strijd om het kleedje met de meeste korting is het ieder voor zich, elke andere consument is een potentiële vijand die JOUW toekomstige droomjurk uit je handen kan wegrukken.

Er wordt geduwd en getrokken in de gangpaden en mensen sleuren zo veel mogelijk stuks mee naar de paskamers waar ze eindeloos lang hun goedkope kleren aan- en uittrekken, tot irritatie van de mensen die buiten staan te wachten en een lamme arm krijgen van de kilo’s kleren die erover liggen. Wie niet wil wachten, gooit haar laatste greintje zelfrespect overboord en trekt tussen de kledingrekken haar broek uit om snel even die short te passen. Het uniform van een soldenshopper is een tuniek die ze makkelijk kan aan- en uittrekken en een grote zwarte slip die het meeste van haar billen bedekt. Al ben ik ook al eens op een paar billen in een witte string gebotst tussen de T-shirts en de zomerbroeken.

“Wie niet wil wachten, gooit haar laatste greintje zelfrespect overboord en trekt tussen de kledingrekken haar broek uit.”

En als ik eerlijk ben, ik heb het ook wel eens gedaan, in de zwarte onderbroek dan, niet in de string. Omdat ik meeging met de massa. Omdat de adrenaline door mijn lijf joeg, opgehitst door de tacky Euro House muziek die door de speakers knalde en de grote fluoborden met 70% korting die me toeschreeuwden dat het NU OF NOOIT was. Dus shopte ik alsof mijn leven ervan afhing en ging ik na een dagje oorlog met volle zakken naar huis.

Maar de euforie die je in de winkel voelt wanneer je een jurkje kan scoren aan de helft van de prijs, blijft niet lang hangen. Ik heb een klerenkast vol met kledij die ik niet of amper draag omdat ze eigenlijk niet helemaal lekker zitten, maar die ik toch mee griste “omdat het maar 15 euro was.” Een klerenkast vol rommel, made in Bangladesh.

En daar wil ik vanaf, van die rommel. Van die dingen die ik niet nodig heb. Van de uitpuilende klerenkast en de bergen wasgoed omdat ik denk dat ik elke dag iets anders aan moet. Van dat schuldgevoel omdat ik mezelf heb laten gaan in de winkel. En van die broek die eigenlijk één maat te klein is en me steevast buikpijn bezorgt.

“Ik wil niet meer kleren, ik wil minder. Ik wil ruimte in mijn kast én in mijn hoofd.”

En ik ben niet alleen. Redactrice Sarah ging dit voorjaar op kleerkastvasten en gaf na haar experiment bijna een derde van haar kleren weg. En deze zomer roept de campagne Slow Fashion Season op om drie maanden geen kleren te kopen. Als 10.000 mensen meedoen, besparen die het equivalent van 360 miljoen liter water en 1,4 miljoen kg CO2-uitstoot. Want de kledingindustrie is een van de meest vervuilende industrieën ter wereld. Elk jaar wordt wereldwijd zo’n 80 miljard kilo textiel geproduceerd. Tachtig. Miljard. Kilo. Daarvan belandt een groot deel op de vuilnisbelt. Want gemiddeld dragen we een kledingstuk niet meer dan zeven keer.

Of ik de hele zomer doorkom zonder kleren te kopen, betwijfel ik. Maar ik weet wel één ding. Ik wil niet meer kleren, ik wil minder. Ik wil ruimte in mijn kast én in mijn hoofd. Meer kleren maken me niet gelukkiger, integendeel.

“Het is ook allemaal een truc”, zegt mijn collega, terwijl we met onze lunch terug naar de redactie wandelen. “Hoezo”, vraag ik. “Wel, net voor de solden verhogen ze de prijzen en plakken ze er een sticker over met ‘20% of 30% korting’. Zo lijkt het alsof je een koopje doet, maar eigenlijk betaal je bijna dezelfde prijs.”

Ik had geen duwtje in de rug meer nodig, maar nu weet ik het zeker. Geen solden voor mij dit jaar.

Foto: Istock

Schrijf je reactie

    Jozefien was in een vorig leven art-director bij de vrouwenbladen en is nu kapitein van het Charlie-schip. Haar stokpaardjes zijn gendergelijkheid, beeldvorming in de media en het opvoeden van twee luidruchtige jongens.

    Lees verder in Mensen

    Colofon

    Adres Redactie

    Toko Space t.a.v. Charlie Magazine
    Statiestraat 139
    2600 Antwerpen