Geven en laten leven

Een kerstverhaal uit de Jungle

Het is weer die tijd van het jaar, van te geven. Aan wie minder heeft en treurig leeft. Helpen of niet helpen, dat is de vraag. Maar heeft het allemaal wel zin? Vooral dat wilde ik weten van Ann Lamon, auteur van ‘Jungle – berichten uit transitland’, toen ik een dagje meeging als vrijwilliger naar de geïmproviseerde tentenkampen van vluchtelingen in Duinkerke. Foto’s: Chen Vandeput
Mijn boterhammen zijn gemaakt, en ik heb walnoten bij, uit de tuin van mijn ouders. In een aparte zak zitten enkele flessen douchecrème, shampoo en conditioner, en tandpasta. In mijn rugzak zitten vier sjaals om weg te schenken, en kleine doosjes oogschaduw. Er zit zelfs Chanel bij – ik had nog een onaangeroerd voorraadje van jaren geleden toen ik nog voor een blad schreef met beautypagina’s en ik spullen gratis kreeg. Hoewel de potjes al een eeuwigheid in mijn kast liggen, pruttelde mijn innerlijke hoarder tegen.

Hopelijk zijn de vluchtelingen er blij mee straks. Ann Lamon wil vandaag de vrouwen onder hen in de watten leggen, in wat overblijft van de tentenkampen in Duinkerke. Hoewel het grootste kamp in Calais allang is afgebroken, en een ander is afgebrand, zijn er nog altijd mensen die bivakkeren in de bossen. Ze hopen allemaal ooit het beloofde Engeland te bereiken.

“In het beste geval slapen ze maar voor een paar dagen buiten, in het slechtste gaat het om maanden”, vertelt Ann onderweg in de auto van Leuven naar Frankrijk. “Als er geen vrouwen zijn, helpen we de mannen. Die zijn er altijd.”

“In het beste geval slapen ze maar voor een paar dagen buiten, in het slechtste gaat het om maanden.”

Haar bestelwagen zit vol. Met zakken kleren, slaapzakken, verzorgingsproducten, en plastic bakken vol ander kampeermateriaal. Ze werkt door de week bij de KU Leuven, als IT’er, en is alleenstaande moeder van een zoon. Haar boek ‘Jungle – berichten uit transitland’ schreef ze in haar vrije tijd.

Het gaat door merg en been. Ik zou bijna willen waarschuwen: lees het niet, want je gaat huilen, meer dan eens. Maar net daarom wil ik iedereen aanraden: lees het vooral wel. En wel zo snel mogelijk.

Ann Lamon, auteur van ‘Jungle – berichten uit transitland’, komt elke maand helpen.

Het verhaal begint in de zomer van 2015, tijdens de asielcrisis, wanneer er dagelijks rijen mensen staan aan te schuiven aan de Dienst Vreemdelingenzaken in Brussel om asiel aan te vragen. Mannen, vrouwen, kinderen. Velen onder hen kamperen in het Maximiliaanpark. Onder hen ook een aantal dat verder wil dan Brussel, naar het Verenigd Koninkrijk.

Zij reizen via Calais. Daar kamperen eigenlijk al jaren mensen in de bossen, met hetzelfde doel, een nieuw leven in het Verenigd Koninkrijk, maar nog nooit zijn ze met zoveel geweest als in 2015. Er ontstaat een heel dorp van duizenden mensen zonder papieren, niet ver van de Kanaaltunnel.

Tijdens de asielcrisis ontstaat er een hele burgerbeweging die in het park helpt, en in Calais. Er komen hulpkonvooien van gewone burgers die vinden dat de overheid te weinig doet. (Swaane Lauwaert beschreef er zo één voor Charlie.)

Dat gaat er soms chaotisch aan toe. Vrachtwagens worden bestormd. Af en toe dreigt er geweld, nu en dan haalt een gewelddadig incident het nieuws. “Hoezo vluchtelingen?”, schreeuwt het internet. Zie je wel dat ze niet in vrede komen? Waarom zou je hen helpen, als ze elkaar pijn doen? Ik denk dat ik toen ook heb gedacht: wat ondankbaar. Dan willen mensen helpen, en krijg je dat weer.

Dat was dus voor ik het boek van Lamon had gelezen over het leven in die jungle – de naam komt trouwens van dzhangal, wat bos betekent in het Pasjtoe, één van de officiële talen in Afghanistan.

Het geïmproviseerde tentenkamp van de vluchtelingen op doortocht.

Ann gaat voor het eerst helpen tijdens de asielcrisis. In haar boek beschrijft ze het allermooiste en het allerlelijkste van de mens. Hoe er minderjarigen verdwijnen uit het tentendorp. Hoe de Vietnamezen de slechtste plekken krijgen om te slapen en hoe een groep Afghanen de baas speelt. Hoe ze iemand stiekem helpt omdat ze weet dat ze anders zijn spullen afpakken. Hoe er wapens verstopt worden onder de tent van een doodsbange man. Hoe een doodzieke baby wordt weggestuurd bij het ziekenhuis. Hoe sommige vrijwilligers verwerpelijke bedoelingen hebben. Hoe vrouwen ’s nachts niet naar het toilet durven.

“In haar boek beschrijft Ann Lamon het allermooiste en het allerlelijkste van de mens.”

Tussen al die miserie doet Ann samen met andere vrijwilligers veel moois. Een Vlaamse kermis om de kinderen te amuseren. Cadeaus uitdelen voor Sinterklaas. Doorverwijzen naar de juiste informatie voor vluchtelingen, want de desinformatie is groot, als het gaat over wie in aanmerking komt voor asiel. Tijdens ‘workshops’ die ze organiseren kunnen vrouwen in het kamp zich even laten verwennen, hoewel dat misschien een groot woord is voor het laten wassen van hun haar, soms met een kleurenshampoo, achter een plastic zeiltje.

In de chaos die Calais en Duinkerke dan zijn vindt Ann Lamon verrassend vlot haar weg. Haar glimlach doet wonderen, ook bij de Franse politie, die de ene keer meewerkt en de andere keer tegenwerkt.

Af en toe is er een happy end, wanneer er eens een gezin dat felbegeerde nieuwe leven kan beginnen. Maar voor velen onder hen komt er nooit echt een goed einde, ook niet aan de andere kant van het Kanaal. Ze doen zwaar werk op boerderijen of cannabisplantages – aan de nog onmenselijkere opties wil je niet eens denken. Het is moderne slavernij.

Vandaag, drie jaar na de grote asielcrisis, is er geen echt dorp meer zoals in de periode die haar boek beschrijft. Daar heeft de Franse overheid voor gezorgd. Een deel van de vluchtelingen werd overgebracht naar asielcentra. Een ander deel heeft de overtocht naar Engeland toch gemaakt, zonder papieren. Sommigen stierven tijdens hun poging.

“Maar voor velen onder hen komt er nooit echt een goed einde, ook niet aan de andere kant van het Kanaal.”

Ook vandaag zijn er nog honderden mensen op doortocht. Wie genoeg geld heeft, kan de overkant halen in enkele dagen of weken. Omdat ze meer kunnen betalen voor de trip. Anderen hebben niet genoeg geld voor de overtocht. Zij kamperen in en rond het recreatiedomein van Puythouck, of, wanneer de politie hen wegjaagt, wat verder.

Voor de Franse grens stoppen we bij een benzinestation. Een laatste pitstop, inclusief toiletbezoek. We ontmoeten er andere vrijwilligers. Fien is 19 jaar, haar broer Tibo 21 en Tessa 23. Ze komen uit West-Vlaanderen. Er is nog een meisje van in de twintig, samen met haar moeder, en een muzikant, een veertiger, die voor hen met een kleine vrachtwagen vol gerief rijdt. “Zou het de bedoeling zijn, dat ik er zo snel mee rijd? De tank is al een kwart leeg!”

Fien vertelt dat ze één van de vorige keren met haar moeder en een vriendin omsingeld werd door de Franse politie, op een parking dichtbij het tentenkamp. Ze stonden geparkeerd en waren spullen aan het uitdelen aan een tiental vluchtelingen, toen er een security-agent hen kwam wegsturen. Enkele seconden later kwamen drie Franse politiecombi’s toegesneld. “Plots richtten ze hun geweer op ons.”

Of hoe je een 19-jarige, haar moeder en haar vriendin de stuipen op het lijf kan jagen, bedenk ik. Wat ze precies verkeerd deden, is hen nooit gezegd. “Het was pure intimidatie. De agenten waarschuwden dat we drie jaar cel konden krijgen.” Ze werden 45 minuten vastgehouden en hun paspoorten werden afgenomen. Fiens mama komt vandaag niet mee.

Als je wil helpen, moet je sterk in je schoenen staan

Een pak vrijwilligers blijken momenteel ziek. Dat betekent dat we vandaag waarschijnlijk geen vrouwen zullen helpen met hun haar te wassen. Het goede nieuws is dan weer dat we via via aan vijftig gebruikte tenten zijn geraakt om uit te delen.

Maar dat, leer ik al snel, is niet zo vanzelfsprekend. Uitdelen moet je leren. Om een stormloop te vermijden, rijden we niet helemaal tot aan de bossen waar de tenten staan. We wandelen, met ieder zoveel tenten we dragen kunnen onder onze armen. Zodra we het pad richting tentenkamp op gaan, duiken er mannen op, die allemaal een tent willen. Ze zijn in geen tijd uitgedeeld.

We gaan terug naar de parking voor meer. Onderweg komen we vrijwilligers tegen van een andere organisatie. “Willen jullie met ons de rest van de vijftig tenten verdelen?”, vraagt Ann aan de Gentenaars. Maar de leider van het groepje van vijftien, een jongen van een jaar of 25, wil absoluut niet. Hij begint aan een monoloog.

De kleine vrachtwagen. Van hier laden we de spullen uit, onze richting bos te dragen.

“We doen dat niet en ik zal uitleggen waarom. Het zijn maar vijftig tenten. Weet je hoeveel mensen hier zijn? Veel, veel meer. Dat zijn er dus niet genoeg. Er zullen er zijn die er geen krijgen.” Hij spreekt Ann toe alsof ze de eerste de beste beginneling is. Maar zij gaat niet in discussie en luistert alleen beleefd. “Oké”, zegt ze. “Geen probleem. Dan doen we het zelf.” Soms is het onder vrijwilligers ook ieder voor zich.

“Soms is het onder vrijwilligers ook ieder voor zich.”

De jongen uit Gent heeft gelijk: het zijn er te weinig. Maar voor ons groepje vrijwilligers is dat geen reden om er dan maar helemaal geen weg te geven. Het verloopt rommelig, dat wel. We zeggen vaak ‘nee’. Er zijn mannen die zeker al een tent hebben gekregen, maar die er nu weer één vragen. Om te verkopen, gok ik. We willen vooral weten of er nog families zijn, en vrouwen en kinderen. Daarom sjouw ik heel lang met mijn allerlaatste tent.

Ann zegt dat we het zelf moeten beslissen, aan wie we wat geven. Ik vind dat verschrikkelijk lastig. Ik geef hem uiteindelijk aan een vrouw. Ik zal me op het einde van de dag nog altijd schuldig voelen, dat ik die ene tent niet heb gegeven aan die ene jongen die er maar bleef om zeuren.

“Waarom alleen voor families?”, riep hij ons boos toe. “Alle families hebben al een tent.” Ik moet het antwoord schuldig blijven. Alsof die alleenstaande mannen geen mensen meer zijn. Ook aan de Dienst Vreemdelingenzaken in Brussel moeten zij elke dag het langst wachten. Vrouwen en kinderen eerst.

Helpen of niet helpen. Wie geef je wat?

Er zijn vandaag negen kinderen, in het tentenkamp. Je ziet ze niet meteen, maar ze zijn er. Ingeduffeld in skipakjes – of niet. Een vader vraagt laarsjes voor zijn tweejarige, maar die maat hebben we niet bij. Ooit recht in de ogen gekeken van onschuld? Ik maak het vandaag hier in de bossen van Puythouck meermaals mee, maar er is één paar donkerbruine ogen dat me zal blijven achtervolgen. Ze zijn van een meisje dat ik een jaar of tien, elf schat. Door het contrast met de omgeving – de modder, de nattigheid, de viezigheid, het gebrek aan zowat alles – springen de tranen me in de ogen, als ik haar aankijk. Ik slik ze weg, en weg, en weg.

De rest van de dag durf ik bijna geen vluchteling meer recht in de ogen te kijken. Te bang voor de tranen die weer zullen komen. Het begin ervan veeg ik telkens weg, en het verdriet dat rest in mijn keel slik ik door. Niet nadenken. Vooral niet te veel nadenken.

Een van de negen kinderen in het kamp. Sommige families zitten hier al maanden, anderen nog maar een paar dagen.

Telkens ik denk aan wat dat meisje zou kunnen overkomen, zinkt de moed me in de schoenen. Ze is nog niet gebroken, dat kan ik zien, maar de pessimist in mij denkt nadrukkelijk: nóg niet. “Zolang je bezig blijft, is het oké”, zegt Fien. “Het is vooral wanneer je thuiskomt dat de klop komt. Pas achteraf besef je wat je hebt gezien.” Een positieve noot: de gele hesjes blokkeren nu en dan een kruispunt in de buurt. De politie heeft het vandaag te druk om te jagen op transmigranten en vrijwilligers.

“Een positieve noot: de gele hesjes blokkeren nu en dan een kruispunt in de buurt. De politie heeft het vandaag te druk om te jagen op transmigranten en vrijwilligers.”

De vluchtelingen die we vandaag zien, komen vooral uit Noord-Irak en zijn Koerden. “Not safe there”, zeggen ze daarover. Ik weet niet waarom ze hier geen asiel aanvragen. Omdat ze dat niet doen, maar wel willen doorreizen naar Engeland, worden ze transmigrant genoemd, of transitmigrant in een krant als De Morgen. Nog anderen noemen hen gelukzoekers – alsof we dat niet allemaal zijn, in dit leven.

Helpen of niet helpen. Wie is blij met wat?

Een vrouw is superklein, misschien door dwerggroei, en de korte jas die ze draagt, krijgt ze niet meer dicht geritst rond haar ronde buik. Ze is zwanger. Ze is hier met haar man en drie kinderen, de jongste is twee. Als we later terugkomen met een langere jas, weigert ze die. Te groot inderdaad, te onpraktisch. Ze trekt haar schouders omhoog. Ook later klaagt er iemand over een ‘te kleine rugzak’ en grabbelen mannen in de winkelkar die we hebben volgeladen met kleren en langs het verharde pad tot aan het bos duwen. Het doet me denken aan de solden.

Fien, Tessa, Chen en ik gaan nog babymelk kopen voor de kleinste kinderen, de jongste is nog geen jaar, en we lopen verloren in de Franse hypermarché. De kassierster lijkt de traagste ooit, terwijl wij snel voor het donker terug willen.

Fien bij een Koerdische moeder. Ze is zwanger en zit hier al sinds de zomer met haar twee kinderen en man

Als we teruggaan, schemert het al. We zien Ann aan haar bestelwagen. Er staat een uitgeklapte tafel met twee grote potten water op kampeervuurtjes. Ze schenkt thee in met een andere vrijwilliger. Er staat een rij met een man of dertig aan te schuiven.

De cake die we hebben gekocht en die ik zo snel ik maar kan in stukken snijd, is in geen tijd uitgedeeld. Even voor onze komst werd het nog even spannend, toen Ann met haar auto tot dicht bij het bos gereden was. Er stond al een andere wagen met spullen om weg te geven, dus dachten mensen dat Ann ook dingen had om weg te geven. Het was om ter eerst. Ann moest wegrijden om uiteindelijk wat verderop te parkeren. Hier verloopt het wel rustig. Helpen zonder het erger te maken, is ook een kunst

Ann is geen doetje. Ze wijst naar een man die veel lawaai maakt. “Met hem heb ik de vorige keer ruzie gemaakt”, vertelt ze. “Hij probeerde iets uit mijn zak te graaien. En heb je hem nu gezien? Hij weet het nog goed, hij wil vrienden zijn, hé.” (lacht)

Is dat geen hindernis voor hulp, vraag ik. Dat het allemaal verre van vlekkeloos verloopt? Ja, zegt Ann. “Sommige mensen kunnen daar niet tegen. Maar wat de één gespannen noemt, vindt een ander nog rustig.” En zijn er mensen die niet willen helpen omdat ‘ze’ elkaar al zo slecht behandelen, zoals ze in haar boek beschrijft? “Er zijn er die daardoor afhaken.”

Een jongen draagt wat gekregen spullen naar zijn tent.

We delen nog wat verzorgingsspullen uit aan de mannen: douchegel, shampoo en tandpasta: “Sorry, no toothbrush.” Ik had in de winkel de dag voordien tien minuten staan twijfelen welke shampoo en conditioner – voor gekleurd haar of antiroos? – ik zou kiezen, om vervolgens tandenborstels te vergeten. De oogschaduw haal ik niet eens uit de auto. Geen Chanel vandaag.

Een man uit Afghanistan vraagt me om geld. “Money, please.” Hij probeert lief te lachen. Ik geef hem niks. Omdat ik bang ben voor slechte reacties van anderen als ik hem het wel geef, maar ook omdat het me zo zinloos lijkt. Ik ga een paar meter verder staan, bij Fien, Tessa en Tibo. Het wordt stilaan donker. De tweejarige zonder laarsjes huilt onophoudelijk. Ik wil hier weg. Pijn die je hebt gezien, kan je niet meer ont-zien. Ik begrijp waarom er zovelen wegkijken.

“Pijn die je hebt gezien, kan je niet meer ont-zien. Ik begrijp waarom er zovelen wegkijken.”

Helpen of niet helpen. Maakt het überhaupt iets uit? Ik vraag het me al heel lang af. Zolang er niets fundamenteel verandert, blijft het systeem rot. Al die energie die gaat naar het opsporen van mensen, met alsmaar duurdere technologische snufjes, haalt de oorzaken van migratie niet weg.

Diep van binnen weten we dat we de ongelijkheid moeten aanpakken, in de wereld – of klinkt dat nu als een ouderwetse slogan die je vroeger weleens tegenkwam op een suf spandoek van een katholieke school? Zolang migranten niet op een legale manier naar een beter leven kunnen, moeten we blijven toezien hoe ze het via bootjes proberen, zelfs op de Noordzee, en hoe mensensmokkelaars geld aan hen verdienen (en soms ook geen geld aan hen verdienen maar hen gewoon proberen te helpen, waardoor ook zij het etiket ‘mensensmokkelaar’ krijgen).

“Helpen of niet helpen. Maakt het überhaupt iets uit? Ik vraag het me al heel lang af.”

Wat heeft het voor zin, om zoals de mensen van het Burgerplatform, mensen onderdak te geven? Je kan er zelfs voor vervolgd worden. Waar zijn we mee bezig? Ik heb zin om een platform op te richten vóór economische migratie. Laat mensen hier toch wat geld komen verdienen, dat ze maar hard werken. Maar laat dit gezever stoppen.

“Waar zijn we mee bezig?”

Als het echt donker wordt, is het tijd om in te pakken. Ik ben doodmoe en begin in de auto aan mijn boterhammen en walnoten. Ze hebben me nog nooit zo gesmaakt.

“De hulp is nooit genoeg, dat is waar”, zegt Ann later, als we in de lounge van de Crown Plaza in Antwerpen zitten. We zijn hier gestopt om de fotografe af te zetten, vooraleer we opnieuw richting Leuven rijden. De muren van de toiletten in het hotel zijn van goudgekleurd metaal. Het contrast kon niet groter.

Ik zeg dat ik niet weet of ik ooit nog terug wil gaan. Ann snapt dat. “Maar er zijn andere manieren om te helpen. Misschien voel je je beter als je maandelijks een bedrag stort voor een organisatie. Zo kan je ook iets doen.”

Ze vertelt dat zij dan weer opkijkt van mensen van het Burgerplatform, die vluchtelingen in huis nemen, dat zou zij niet willen. Ann zegt ook dat ze niet meer zo vaak richting Frankrijk gaat als vroeger. “Ik wil niet dat mensen zich nog in mijn hart nestelen. Als je ze elke week ziet, en je ziet dezelfde gezichten telkens terug, dan gebeurt het vanzelf. Daarom ga ik nog maar een keer per maand.”

En toch. “Laatst was er een meisje, en dan zie je die twee keer, en je hebt ermee gesproken, en dan gebeurt het toch. Dat kan je eigenlijk niet tegenhouden. Weet je, je kan natuurlijk zeggen dat het ‘maar’ thee schenken is, wat we doen. Maar voor deze mensen zijn wij misschien het enige vriendelijke gezicht dat ze die week zien, misschien komen ze verder alleen maar politieagenten tegen.”

Ik snap Ann. Zij wil het lichtpuntje menselijkheid zijn in de duisternis. Blijven helpen doe je dus zo. Je doet wat je doet, en dat is goed.

***

Fien krijgt gelijk, over dat je pas beseft wat je hebt gezien, als je thuis bent. Ik heb in maanden niet zo slecht geslapen. Ik denk steeds aan dat meisje met de warmste ogen. Ik worstel vervolgens weken met dit onderwerp, vooraleer ik het allemaal neerschrijf, omdat het zo dichtbij komt.

Ik moet vaak denken aan mijn oma, die geboren is in Indonesië. Tijdens de Tweede Wereldoorlog doorkruiste ze als jonge moeder alleen met haar kinderen het hele eiland Java. Van plek naar plek, op zoek naar een veiligere haven.

Op een avond strandden ze in een stadje omdat de laatste trein al weg was en moesten ze overnachten in een hotel. Ze sleepte met haar oudste zoon alle meubels voor de deur van hun kamer, om die te barricaderen, omdat ze doodsbang waren dat er dronken Japanse soldaten zouden binnenvallen. Zou angst in je genen kruipen?

“Ik heb in maanden niet zo slecht geslapen. Ik denk steeds aan dat meisje met de warmste ogen.”

Ik denk aan haar oudste zoon die mijn oom is, die als jongeman naar Californië is geëmigreerd vanuit Nederland. Volstrekt legaal. Het ging om een naoorlogs programma om mensen te helpen, en dat terwijl de oorlog al jaren voorbij was. Ook mijn ouders vertrokken naar de VS eind jaren zestig. Niet omdat ze gevaar liepen in West-Europa, wel in de hoop op een beter, leuker leven. Gelukzoekers met papieren.

Uitgerekend een week voor ik naar het tentenkamp ging, raakte diezelfde oom zijn huisje – een soort stacaravan – kwijt in het stadje Paradise. In de alles verscheurende branden. Alles wat hij en mijn tante hadden, is weg. Hij is 80 jaar en moet helemaal opnieuw beginnen. Ze hadden nog net wat kleren bij elkaar kunnen zoeken voor ze tegen het ochtendgloren werden geëvacueerd.

Het is niet toevallig dat Ann in haar boek een dagboekfragment heeft opgenomen van haar Vlaamse overgrootmoeder die naar het VK vluchtte tijdens de Eerste Wereldoorlog.

***

Een week na mijn bezoek aan de bossen in Frankrijk laat een Italiaanse priester weten dat wie tegen de vluchtelingen is, vooral geen kerststal moet zetten dit jaar. Ik snap hem.

“We beseffen dat we niet meer dezelfde mensen zijn die we waren voor we naar de jungle trokken”, schrijft Ann Lamon ergens in haar boek. Ik ben maar een dag geweest en ik ben al niet meer dezelfde. Ik wens iedereen deze kerst warme thee toe.

Foto’s: Chen Vandeput

Plaats zelf een reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Zonder jou geen Charlie!

Kom bij de leukste club van het internet en krijg: 2 bookzines per jaar, Charlie goodies en toegang tot alle online artikels.

En het allerbelangrijkste: de wetenschap dat je bijdraagt aan een stem die nodig is!

Colofon

  • Hoofdredactie Jozefien Daelemans
  • Chef redactie Selma Franssen
  • Marketing & partnerships Sophie Docx
  • Art Direction & fotografie Sarah van Looy Carmen de Vos Sandra Mermans
  • Design & code Birdseye design
Adres Redactie

LDV United
t.a.v. Charlie Magazine
Rijnkaai 100
2000 Antwerpen