Wat weten we eigenlijk over witheid?

In het kader van vrouwendag bezocht Emeritus Hoogleraar Gloria Wekker een uitverkocht Kaaitheater in Brussel. Ze vertelde er over de paradox die er in Nederland, België en andere landen met een koloniaal verleden bestaat: het felle debat dat woedt over racisme, terwijl het bestaan ervan tegelijkertijd wordt ontkend. Charlie Magazine sprak met haar over haar boek Witte Onschuld.
Gloria Wekker houdt zich als wetenschapper al decennia bezig met racisme, maar de laatste jaren is ze regelmatig het middelpunt van een mediastorm. Ze zou met haar boek Witte Onschuld ‘de oorlog openen op het Nederlandse zelfbeeld’. Na het lezen van Witte Onschuld kan ik echter niet anders dan denken: waar maakt iedereen zich nu eigenlijk zo boos over? Gloria Wekker doet wat cultureel antropologen al eeuwenlang doen. Ze analyseert aan de hand van cijfer- en tekstmateriaal, eigen ervaringen en observaties. Alleen betreft het onderwerp van haar observaties geen klein inheems oerwoudvolk, maar de dominante witte samenleving in Nederland. En ja, zelf het onderwerp van analyse zijn is ongemakkelijk en pijnlijk, maar ook noodzakelijk als Nederland ooit het progressieve land wil worden dat het al denkt te zijn.

Gloria Wekker: “Ik vind zelf dat ik een tamelijk kalme etnografie heb geschreven van het dominante Nederlandse zelfbeeld. Dat is natuurlijk al wat, dat je als antropoloog de dominante groep gaat beschrijven. Het is ook tegen het zere been dat ik niet naar verwegistan ben gegaan, maar witheid in Nederland bestudeerd heb. Er wordt op allerlei manieren geprobeerd om mij te diskwalificeren. Wat ik daarvan vind? Ik ben daar niet zo gevoelig voor. Mijn werk is in de Verenigde Staten meermaals bekroond. Als er kritiek komt denk ik vaak ‘Wie ben jij dan? En wat weet jij van antropologie dat je mijn werk meent te kunnen bekritiseren?’”

“Ik vind zelf dat ik een tamelijk kalme etnografie heb geschreven van het dominante Nederlandse zelfbeeld.”

Nederland bevindt zich middenin een tweede antiracistische golf, waarin het gedwongen wordt om te bekijken welke sporen vierhonderd jaar als kolonisator heeft achtergelaten in de geschiedenis, de taal, de cultuur, het zelfbeeld en in de omgang tussen wit en zwart. Want behalve dat er mensen uit de voormalige koloniën in Nederland wonen, heeft die geschiedenis ook invloed op witte Nederlanders. Zoals Toni Morrison schreef heeft het niet alleen de gekoloniseerden bepaald, maar ook de kolonisator. Wekker noemt dit het ‘cultureel archief’, een term die literatuurwetenschapper Edward Said gebruikte voor de overgeleverde kennis en gevoelens die samenhangen met het hebben van koloniën en het tot slaaf maken van andere mensen. Nederland ziet zichzelf als een klein, progressief land dat uitblinkt in gelijkheid en dat niet racistisch is. Wekker onderzoekt hoe het kan dat dit rooskleurige Nederlandse zelfbeeld overeind blijft, terwijl mensen van kleur in de praktijk racisme en discriminatie ervaren.

Ik vraag haar hoe het cultureel archief vandaag nog doorwerkt, ook voor mensen wiens voorouders Nederland nooit verlieten en niet betrokken waren bij de kolonisatie. Gloria Wekker: “Enerzijds is er de materiële kant van het verhaal, waar je voorouders misschien niet direct baat bij hadden: in Nederland is een hele infrastructuur van wegen en gebouwen opgebouwd en er zijn industrieën van start kunnen gaan met het geld dat uit de koloniën kwam. Je moet ook niet onderschatten hoeveel mensen aandelen in plantages hadden. Vooral uit ‘ons Indië’ kwam er flink wat geld binnen. Recent onderzoek laat zien dat in het bijzonder weduwen veel geïnvesteerd hadden in de ondernemingen in de koloniën.”

“Het idee heerste dat Nederlanders de koloniën verdienden. Het was hun ‘burden’ om de bewoners daar tot ontwikkeling en civilisatie te brengen.”

Omdat er in het onderwijs weinig aandacht aan wordt besteed, herkennen we verwijzingen naar het koloniale tijdperk niet altijd meer. Want waar heeft bijvoorbeeld Viriginia Woolf het over als ze in ‘Een kamer voor jezelf’ schrijft dat elke vrouw 500 pond per jaar zou moeten hebben om onafhankelijk te kunnen zijn, en dat zijzelf het geluk heeft zo’n inkomen te krijgen uit het nalatenschap van een tante in Bombay? Gloria Wekker wijst lezers erop in het voorwoord van de heruitgave van de feministische klassieker: de tante in Bombay was zo’n weduwe die aandelen had in ondernemingen in de koloniën. Het geld dat Woolf in staat stelde om te emanciperen, was waarschijnlijk afkomstig uit arbeid verricht door mannen en vrouwen die tot dat werk verplicht werden zonder daarvoor een noemenswaardige vergoeding te krijgen.

Het cultureel archief heeft ook een immateriële kant: het bezit van koloniën veronderstelt dat de bewoners van de metropool geestelijk klaargemaakt worden om burgers en erfgenamen van zo’n rijk te zijn, ook al zijn ze arm en behoren ze tot de lagere klasse, zegt Wekker. “Het idee heerste dat Nederlanders de koloniën verdienden. Het was hun ‘burden’ om de bewoners daar tot ontwikkeling en civilisatie te brengen. Dat veronderstelt natuurlijk dat Nederlanders hoger op de ladder stonden en zich superieur moesten voelen aan mensen van kleur. Aan het eind van de formele koloniale relatie werden koloniale heersers zogenaamd van de ene op de andere dag gelijken van gekoloniseerden. Maar kan dat eigenlijk wel? Verdwenen dan ook ineens de ideeën die 400 jaar gangbaar waren? Dat is nooit tegen het licht gehouden.”

“Wat ging er om in de hoofden van Oxfam-hulpverleners die seksuele diensten vroegen van mensen die hulp ontvingen?”

Het recente schandaal rond medewerkers van ontwikkelingsorganisatie Oxfam die de lokale bevolking in Haïti in ruil voor hulpgoederen seksuele diensten lieten verlenen, komt volgens Wekker ‘right out of the colonial picture book’. “Het culturele archief is nooit geopend en nooit bevraagd. En het speelt ook vandaag nog een rol in de manier waarop internationale hulpverleners zich gedragen in een land als Haïti. Ik zou echt willen dat er een onderzoekscommissie kwam die onderzoekt wat er precies gebeurd is. Wat ging er in de hoofden van de hulpverleners om waardoor ze meenden het recht te hebben om seksuele diensten te vragen van mensen die hulp ontvingen?”

Dat het cultureel archief zich op verschillende momenten anders uit, illustreert ze in haar boek met een foto uit haar eigen jeugd. Het is een foto van de Wekker-kinderen uit 1952 die de Amsterdamse dierentuin Artis bezoeken. Ze poseren naast een ezeltje, op de achtergrond kijkt een groepje witte vrouwen vertederd en nieuwsgierig toe. “In 1952 waren er bijna geen mensen van kleur in Nederland. Kort na de onafhankelijkheidsoorlogen van 1947-1949 kwamen er wel Indische mensen uit de Oostelijke koloniën naar Nederland, maar Surinaamse mensen waren er niet. Wij waren met ons gezin pas net in Nederland aangekomen. De mensen konden het niet geloven, ze wilden die leuke kindjes aanraken, kijken of de kleur van ons gezicht afkwam, voelen of ons haar echt was. Mijn moeder baalde daarvan; ons haar mochten ze nog wel aanraken, maar bij onze gezichten trok ze de grens.

We leven nu in andere tijden. Er is verharding opgetreden in de manier waarop witte Nederlanders naar zwarte mensen kijken. De demografie ziet er heel anders uit dan in 1952, mensen van kleur zijn geen uitzondering meer. En zwarte mensen zijn veel mondiger geworden. De eerste generatie hield zich stil, zij  hadden het gevoel te gast te zijn in Nederland. Dat hebben jongeren van kleur vandaag niet meer. Zij zijn Nederlands en eisen hun burgerschapsrechten op. En dat van zwarte piet, dat moet afgelopen zijn. En een heleboel andere dingen ook, want zwarte piet is maar een symbool.”

“Op dit moment is de moslim de ultieme ‘ander’, die overal de schuld van krijgt.”

Een symbool waarvan het idee dat het zou kunnen veranderen of verdwijnen in Nederland voor meer opschudding zorgt dan de afschaffing van de studiefinanciering. Wekker verzamelde reacties in de pers en op social media  van mensen die willen dat zwarte piet onveranderd blijft, en analyseerde de redenen die zij daarvoor aanhalen. De toon van het debat is volgens haar de laatste jaren veel agressiever en onverzoenlijker geworden, maar de argumenten zelf zijn nauwelijks veranderd. Met een belangrijke uitzondering: de islam en moslims worden bij de argumentatie betrokken. Wekker: “Moslims worden overal met de haren bijgesleept, ook bij deze discussie. Het laat zien dat op dit moment de moslim de ultieme ‘ander’ is, die overal de schuld van krijgt.”

Wat is het precies dat sommige mensen zo woest maakt als je ‘aan zwarte piet komt’? Wekker: “Mensen betreuren dat ze het feest zoals zij dat kennen niet meer door kunnen geven aan hun kinderen en kleinkinderen, terwijl ze er zelf zoveel plezier aan beleefd hebben. Er zit dus iets van heimwee en nostalgie in. Ook verliest het feest, en zij die het graag vieren, onschuld als het met racisme in verband wordt gebracht. Maar de heftige reacties moeten ook in de geopolitieke situatie van Europa geplaatst worden. Er is een voortdurende wrijving tussen de eigenheid van individuele landen en Europa. Er is een angst om opgeslokt te worden door Europa, wat bijvoorbeeld resulteerde in Brexit. De strijd om zwarte piet is een symbolische uitdrukking van die angst om op te gaan in het grote geheel. Het is wel heel opmerkelijk dat het zich zo strijdvaardig uit, op een manier die een betere zaak waardig zou zijn. Want met een paar kleine ingrepen kun je het alsnog vieren zonder dat je op de ziel van zwarte kinderen trapt. Als het werkelijk een kinderfeest is, voor alle kinderen, dan zou je toch moeten willen dat alle kinderen het kunnen vieren?”

“De strijd om zwarte piet is een symbolische uitdrukking van die angst om op te gaan in het grote geheel.”

Voordat we in de buurt van oplossingen kunnen komen, moet eerst dat cultureel archief verder open en moeten we leren om met intersectioneel denken ons blikveld te verruimen. Wie zich inzet voor een betere wereld moet allianties vormen en alle assen van verschil (ras, gender, sekse, klasse, religie) bij elkaar brengen. Interesse in intersectionaliteit heeft zich de laatste jaren buiten de academie en onder activisten verspreid. “Wat niet wil zeggen dat iedereen het zo goed begrepen heeft. Men denkt al snel intersectioneel bezig te zijn als één as van diversiteit betrokken wordt.

Ik merk vaak dat er toch gedacht wordt dat het gaat over of-of: je bent in de eerste plaats of moslima, of zwart. Je kan niet beide tegelijk zijn, je moet kiezen. Je moet ook kiezen of je de strijd tegen racisme voorop wil zetten, of de strijd tegen seksisme. Terwijl de crux van intersectionaliteit is dat al die verschillende assen van verschil gelijktijdig werkzaam zijn en op elkaar inwerken. Dus is het en-en. Ook wordt de geschiedenis van intersectioneel denken vaak door witte vrouwen herschreven alsof het niet door zwarte vrouwen op de agenda geplaatst zou zijn. Het is erg fijn dat intersectionaliteit in Nederland om zich heen gegrepen heeft, maar ik ben ook kritisch over de manier waarop dat gaat. Het geeft aan dat intersectionaliteit geen makkelijke weg is, maar wel een weg die onvermijdelijk is.”

In de twintig jaar dat ze les gaf, begeleidde Gloria Wekker honderden studenten om intersectionaliteit in de praktijk te brengen. “Dat is een van de leukste dingen waar ik op terugkijk, hoe mensen gegroeid zijn en de verschillende plekken waar ze daarna terechtgekomen zijn.” Inmiddels is ze met vervroegd pensioen, maar daar is weinig van te merken. Ze werkt alweer aan twee nieuwe boeken. Daarvoor duikt ze in de geschiedenis van haar Amsterdamse buurt De Bijlmer en het Suriname van haar grootmoeders in de jaren 1920. Beide schrijfprojecten sluiten aan bij haar belangrijkste drijfveer, waarmee ze ook haar lezing in Brussel afsloot: “Ik wil niet dat mensen zich schuldig voelen, ik wil dat ze kennis hebben van het verleden.”

Foto’s: Selma Franssen. Gloria Wekker was in Brussel op uitnodiging van Kaaitheater, deBuren en VUB. Meer informatie over haar boek vind je hier.

Plaats zelf een reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Jaarabonnement

Zonder jou geen Charie!

Kom bij de club en krijg: 2 bookzines, Charlie goodies en toegang tot alle online artikels.

En het allerbelangrijkste: de wetenschap dat je bijdraagt aan een stem die nodig is.

Zonder jou, geen Charlie!

Er is meer dan ooit nood aan eerlijke verhalen en het geloof dat we dingen kunnen veranderen. Hell yeah. Word een Charlie en maak ons magazine mee mogelijk.

Ik word lid!

Colofon

  • Hoofdredactie Jozefien Daelemans
  • Chef redactie Selma Franssen
  • Marketing & partnerships Sophie Docx
  • Art Direction & fotografie Sarah van Looy Carmen de Vos Sandra Mermans
  • Design & code Birdseye design
Adres Redactie

LDV United
t.a.v. Charlie Magazine
Rijnkaai 100
2000 Antwerpen