Zo verliep mijn sollicitatiegesprek bij Jan Fabre

Het was 2013, ik was 24, ik was afgestudeerd en op zoek naar werk. Mijn voordeur lag in de Antwerpse Pastorijstraat, net als die van Troubleyn, de werkplek van Jan Fabre. Ik moest maar de straat uit en ik was al op mijn sollicitatie voor de job van communicatieverantwoordelijke. Een job zó dicht bij huis, dat zou pas cool zijn. Maar toen ik weer buiten kwam, dacht ik er anders over.

‘Ah, een rosse’, was het eerste wat Fabre tegen me zei, ‘dat hebben we nog niet.’

Ik vond zijn uitspraak gek, maar wilde vlot overkomen. Ik word wel vaker over mijn haarkleur aangesproken. ‘Die rol zal ik hier dan wel komen invullen’, antwoordde ik vastberaden, en nam plaats in het vergaderzaaltje. Wat een kutantwoord, achteraf gezien.

In het zaaltje zaten nog twee vrouwen en een man. Met één van de vrouwen had ik al eens uitgebreid gebeld over de job. Fabre kwam vlak naast me zitten.

Het contrast tussen de vragen van Fabre en die van zijn collega’s kon niet groter zijn. De collega’s sneden formele thema’s aan die betrekking hadden op de jobinhoud, Fabre onderbrak hen om me te vragen of ros dan wel mijn natuurlijke haarkleur was.

“Achteraf was ik boos op mezelf dat ik zijn non-vragen telkens netjes en beleefd heb beantwoord.”

Terwijl ik op een van de relevante vragen van de collega’s antwoordde, kwam Fabre voor me hangen. ‘Ik probeer te zien welke kleur je ogen hebben’, onderbrak hij me. ‘Kijk eens naar hier, want ik kan het niet zien.’ ‘Grijsblauw’, zei ik kort, met een groene glimlach. De collega’s sloegen, beschaamd voor dit schouwspel, hun blik naar de grond. Ik ging ongemakkelijk verder met het beantwoorden van hun eerdere vraag.

‘Wat doen uw ouders?’, vroeg Fabre me op een bepaald moment.

Wat had die vraag nu met de job te maken?, dacht ik, maar ik antwoordde toch: ‘Mijn vader is journalist en mijn moeder is laborante.’

‘En hoe woont ge dan misschien?’, ging hij smalend verder, ‘in een landhuis met pony’s?’

‘Nee. In een appartementje in de Pastorijstraat’, zei ik. ‘Dat had ik ook al in mijn motivatiebrief geschreven.’

‘Wel écht straf dat ik u hier in de straat nog niet gezien heb.’ Hij liet zijn ogen over mij dwalen. ‘Heb je een vriend?’

Achteraf was ik boos op mezelf dat ik zijn non-vragen telkens netjes en beleefd heb beantwoord. Geen enkele keer heb ik ‘Doet dat er toe?’ teruggekaatst. Maar goed, ik zat ook in een lastig parket, want ik wilde die job.

“Hij liet zijn ogen over mij dwalen. ‘Heb je een vriend?’”

Lekker jennen, lekker spanningen creëren, eens testen wat voor naïef kind ze hier voor mijn neus gooien, dat moet hij gedacht hebben.

De monden van zijn collega’s leken wel dichtgeplakt. Ik was teleurgesteld in hen. Ze zaten er als geslagen honden bij en lieten Fabre gewoon zijn gang gaan. Al zag ik dat ook zij zich ergerden en schaamden. Hier was meer aan de hand, dat begreep ik toen al.

De open brief van zijn ex-medewerkers gisteren voelde aan als een opluchting. Zie je wel, dacht ik, ik zag geen spoken destijds, ik had het bij het juiste eind.

Na de brief dook ik meteen in mijn mailbox. Want ik wist dat ik me toen niet serieus genomen voelde en ik wilde dat dat werd rechtgezet. Ik heb die twee vrouwelijke collega’s nadien nog gemaild. Daar ben ik nu, vijf jaar later, enorm blij om:

Van de vrouw met wie ik voordien uitgebreid had gebeld, kreeg ik de reactie dat ze het jammer vond dat ik het al van iemand anders had gehoord wie de job kreeg. Ze schreef ook dat ze me begreep, dat ze mijn eerlijkheid op prijs stelde en dat ik gerust mocht zijn. De anderen zouden dezelfde irrelevante vragen hebben gekregen, maar ze hadden niet op basis daarvan een beslissing gemaakt.

“Artistieke vrijheid werd voor Fabre het excuus voor psychologische spelletjes en scheve verhoudingen.”

De anderen hadden dus dezelfde vragen gekregen? Ook over hun haarkleur? Over de vriendjes die ze al dan niet hadden? Daar werd ik allerminst gerust van.

Ik besef heel goed dat dit ene sollicitatiegesprek niets is in vergelijking met wat de medewerkers hebben moeten doorstaan. De intimidatie van Jan Fabre ging – ten opzichte van mij – niet verder dan misplaatste vragen tijdens een kort, maar veelzeggend gesprek. Artistieke vrijheid werd voor Fabre het excuus voor psychologische spelletjes en scheve verhoudingen. In dat verhaal heb ik vooral veel geluk gehad. Ik greep naast de job, en ben zo de dans ontsprongen.

Foto: Istock

Plaats zelf een reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Zonder jou
geen Charlie!

We hebben jou nodig om ons magazine te blijven maken. Kom dus bij de club en krijg:

  • 2 bookzines (nr. 8: najaar 2018, nr. 9: voorjaar 2019)
  • Charlie goodies toegang tot alle online artikels
  • En het allerbelangrijkste: de wetenschap dat je bijdraagt aan een stem die nodig is.

Zonder jou, geen Charlie!

Er is meer dan ooit nood aan eerlijke verhalen en het geloof dat we dingen kunnen veranderen. Hell yeah. Word een Charlie en maak ons magazine mee mogelijk.

Ik word lid!

Colofon

  • Hoofdredactie Jozefien Daelemans
  • Chef redactie Selma Franssen
  • Marketing & partnerships Sophie Docx
  • Art Direction & fotografie Sarah van Looy Carmen de Vos Sandra Mermans
  • Design & code Birdseye design
Adres Redactie

LDV United
t.a.v. Charlie Magazine
Rijnkaai 100
2000 Antwerpen